Mijn foto

Laatst bijgewerkte weblogs

Blog powered by TypePad
web-log.nl, powered by TypePad

Multi-Angle-View

007_5 Ik ben niet bepaald een natuurmens. Het liefst zit ik binnen, op de bank, met een boek in mijn handen (of een kop thee, of een vriendin, etc.). Ik houd meer van verhalen; verhalen over gemene spelletjes, uitzichtloze situaties, wonderlijke ontdekkingen… Ik lust er wel pap van. De natuur is toch meer iets van buiten. Daar ga ik liever niet heen, want meestal is het er koud en nat en buitengewoon oncomfortabel. Zeker in de herfst. Geef mij maar een kachel, een extra kussen in de rug, een pak met koekjes, een voetenbad en geschreven drama.

Bovendien is de natuur, naast oncomfortabel ook een buitengewoon geweldadige plek vol met enge beesten die het tot hun plicht zien andere beesten op brute wijze te vermoorden. Toch studeer ik op het moment naast Internationale Ontwikkelingsstudies (een sociaalwetenschappelijke opleiding) nu vakken van de opleiding Bos en Natuurbeheer. In één van mijn meest recente colleges zat ik plotseling schedels van carnivoren en herbivoren te analyseren. In het college daarvoor gaf ik commentaar op de ontwikkeling van vogelpopulaties in Peru. Ik voel mij als een uitheemse soort die opeens in een heel nieuw ecosysteem terecht is gekomen: dat van de natuurwetenschappers. Het is een milieu waarin ik mij wel thuis voel, al vraag ik mij af hoe ik er terecht ben gekomen.

Als je er over nadenkt, is dat geen lastige vraag: de helft van mijn vriendenclub (inclusief mijn vriendin) studeert Biologie. Ik weet nog goed hoe ik mij half zat te ergeren toen Rebus en Corine het spelletje SPORE (waarin je een nieuwe diersoort ontwikkelt tot in het stadium van interplanetaire kolonisatie) van uitgebreide kritiek voorzagen toen ik het aan hen toonde. Ik begreep maar de helft van wat ze zeiden. Het is alsof twee mensen in een andere taal aan het kletsen zijn over iets dat jou aangaat. Aan de andere kant wordt ik weer raar aangekeken als ik probeer iets over marktwerking te zeggen (‘nee bah, dat gaat toch niet over economie?’).

In de Ontwikkelingsstudies wordt de natuur vooral gezien als hulpbron. Iets waarvan je, als je er handig gebruik van maakt, eindeloos kunt profiteren. De nuance die natuurbeheerders hieraan toevoegen is dat de natuur een systeem is waarin álle soorten eindeloos van elkaar profiteren. De mens (die gewoon deel uitmaakt van de natuur) is hierin alleen zo ontzettend doorgeslagen dat andere soorten door zijn verbruik dreigen uit te sterven. Dit probleem moet van meerdere kanten worden bestudeerd vanuit zowel de natuurwetenschap als de sociale wetenschap. Hieruit kunnen slimme oplossingen komen.

 Het lot van de soorten (inclusief de mens) gaat mij zeer om het hart. Zeker nu er sprake lijkt te zijn van een soort ‘verharding’ in de samenleving. Natuurbescherming wordt een ‘linkse hobby’ genoemd door voorstanders van het ego. Dat is een domme definitie. Natuurbehoud is een vorm van zelfbehoud, wij zijn onderdeel van de natuur en we kunnen niet ontkomen aan de effecten die opdoemen als we andere soorten verbruiken.

 Daarom word ik een beetje moe van al die mensen die het geen ruk kan schelen, die zich het ene na het andere privilege aanmeten zonder een greintje verantwoordelijkheidsgevoel. Ook krijg ik het benauwd van al die pessimisten die zich blindstaren op de ellende en de complexiteit van de problematiek. ‘We kunnen niets doen, de natuur is allang geruïneerd.’ Zo klinken de dooddoeners die door deze mensen worden gehanteerd. Dit is een goedkope, luie houding die mensen zich door emotie en onwetendheid eigen maken. Normaal ben ik niet zo extreem in mijn taalgebruik, maar nogmaals, deze zaak gaat mij zeer om het hart.

 Het stelt mij erg droevig dat mensen in een waanzin van onterecht zelfmedelijden en plat sarcasme weigeren hun ogen te openen voor wat er op het spel staat. Zien mensen dan niet dat wat er in de rest van de natuur gebeurt een veel rijker en wonderbaarlijker scala biedt voor diegenen die een gebrek hebben aan emotionele bevrediging? De natuur staat bol van de avonturen, conflicten en drama’s en als we het afbreken hebben we alleen nog maar ons zelf: ‘de meest intelligente soort op aarde’.

 Ik kan met een gerust hart zeggen dat dit verhaal: het verhaal van de mens, de soort die de beschikking kreeg over de magie van de inleving, de creativiteit, de handvaardigheid en de taal. Het verhaal over hoe deze mens onmiddellijk de dominante soort werd, de leeuw verstootte van de troon en zelf met de scepter ging zwaaien. Het verhaal over hoe de mens opeens op de rand stond en moest kiezen: ten ondergaan aan het eind van zijn dictatuur, of andere soorten een democratisch recht in handen te geven. Dit verhaal vind ik het meest interessant van alle verhalen. Dit is een verhaal waar we midden instaan en dat ik van een multi-angle-view wil volgen. Ik wil de taal leren waarin het beschreven wordt. Ik wil weten hoe het eindigt.

 Er is maar één ding dat we kunnen doen: verder lezen.

Inbrekers op Asserpark

Fly1 Rond één uur ’s nachts melde Steil dat hij nóg drie bakjes met pesto, guagamole en auberginepaté in de koelkast had staan. De eerste drie waren nog halfvol. Steil had zich een beetje verkeken op de hoeveelheid gasten die zouden komen. Hij had een stuk of tien mensen uitgenodigd voor zijn examenweek-uitrust-avond dat in feite een verhuld verjaardagsfeestje was (‘volledig secundair’ had Steil in de mail gezet). De opkomst viel helaas een beetje tegen. Fuz, die de uitnodiging op dezelfde dag nog had opengemaakt, was in ieder geval gekomen en zijn cadeau bestond uit twee flesjes Kriek-bier (uit België) met de montere toelichting dat niemand op zijn afdeling van Kriek-bier hield. ‘En toen dacht ik: hé, Steil lust wel Kriek-bier. Laat ik het hem dan voor zijn verjaardag geven.’ Fuz na even een pauze om zijn woorden te overdenken. ‘Maar… ik ga ook nog wel een écht cadeau voor je kopen.’ Hij overhandigde de twee flesjes.

Twee gasten was wel heel erg weinig, dus belde Steil Rebus op (die negen verdiepingen hoger woont). ‘Hé Rebus. Ben je thuis? Ja? Wil je dan stoppen met zoveel lawaai te maken? Nee geintje. Vind je het leuk om even langs te komen?’

Na wat morrelen, en nadat Steil Rebus ervan had overtuigd dat er een zeer uitgebreid kaasplankje was en dat ik en Fuz er ook waren, legde Rebus zijn leerwerk neer en kwam naar beneden.

Uiteindelijk werd het toch een uitstekende avond: de aanwezigheid van vier jonge, intellectuele, Wageningse heren, voedsel en wodka-gingerale leidde tot een geweldige variëteit aan discussie. Een greep uit de revue: McCain, snuitkevers, het Milgram-experiment, Ikea, Franse boeren en de kracht van de evolutietheorie kwamen stuk voor stuk langs. Het ene onderwerp vloeide subtiel uit het andere. Argumenten werden ondersteund met YouTube (‘maar één Nederlands filmpje over snuitkevers’ klaagde Rebus) en Wikipedia.

Om half twee vond ik het mooi geweest en ik stond op. Rebus en Fuz volgden onmiddellijk. We brachten de troep naar de keuken en zeiden Steil gedag. Op weg naar huis bespraken Fuz en ik het moeilijkste onderwerp van de avond: de liefde. Persoonlijk denk ik dat de liefde zo lastig is omdat het woord een samenvatting is van verschillende dingen die je tegelijkertijd voelt. Ik had hier nog wel uitgebreider over willen praten waar toen we bij de lift van de Haarweg kwamen besloten we beiden gewoon te gaan slapen.

Op mijn kamer aangekomen liet ik dat plan even voor wat het was en ik ging achter de computer zitten om te kijken hoe het downloaden van verschillende natuurfilms vorderde.

Op dat moment kreeg ik een sms met een onheilspellende boodschap van Rebus. Ik belde hem meteen op om te polsen wat er precies aan de hand was. Rebus (die overigens biologie studeert) werd op zijn kamer geterroriseerd door een bepaald roodkleurig insect waarvan hij niet kon slapen. ‘Trap hem plat!’ adviseerde ik. ‘Of vang hem, humaan, met een kopje en een stukje karton, zoals ikzelf altijd doe.’ Rebus vertelde dat hij aal had geprobeerd het insect te vermorzelen maar bij die poging was het diertje halfdood onder zijn bed beland. Hij kreeg het ‘Spaans benauwd’ bij het idee om verdere actie te ondernemen. ‘Zal ik langskomen om hem te vangen?’ vroeg ik nobel. ‘Ja, als je dat geen probleem vindt, ik houdt het hier niet uit.’ 

Dus ik reed terug naar de flat van Rebus (aan de andere kant van Wageningen). Ik, de heldhaftige ghost-buster zou wel eens afrekenen met die teisterende, enorme, rode insecten. 

Met een zaklampje scheen ik onder het bed van Rebus. Rustig bestudeerde ik de vloer en enigszins teleurgesteld moest ik concluderen dat er geen grote rode insecten waren: slechts een paar zilvervisjes en een gewone bromvlieg. Ik ving de vlieg en liet het beestje vrij door het raam in de keuken. Het gevaar was geweken.

‘Wil je dan maar een kopje thee?’ vroeg Rebus, nog steeds een tikje onthutst.

‘Ja, doe maar.’

Samen dronken we een kopje rooibos thee en we spraken over angsten en het verschil tussen meten en ervaren. Een paar minuten over drie hoorden we een enorm rommelend geluid. Ik, die net kundig een filmcitaat aan het opzeggen was, stokte en keek naar het gordijn. We waren doodstil. ‘Wat was dat?’ vroeg ik. Rebus wist het ook niet; ‘Het lijkt wel of er een verwarming naar beneden is gekomen. Ik deed het gordijn open en keek naar buiten, naar de balustrade. Niets.

‘Vreemd’ zei ik. Ik dronk het laatste beetje thee op. Toen hoorde we stemmen op de gang. ‘Laten we gaan kijken wat er aan de hand is.’

Wat er aan de hand was: in de kamer naast ons was ingebroken. Precies op het moment dat ik mijn favoriete stukje uit ‘Jurassic Park 3’ aan het uiteenzetten was, was een dief door het raam van de kamer naast ons naar innen geglipt en had, bijzonder snel, de laptop van het meisje dat in de kamer woonde gepikt.

Snel liepen we over de balustrade om te zien of de dief nog in de buurt was, maar er was niemand te zien. Hij had wel sporen achter gelaten: een natte voetafdruk bij de noodtrap en voor het raam van de kamer lag een eenzame computermuis op de grond. In de kamer zelf was het een puinhoop. De printer was van het bureau afgestort en overal lag papier.

Het ergst om te zien was het slachtoffer; Rebus’ buurmeisje. In nachtkleding, wallen onder haar ogen en de blik van iemand die nog niet helemaal beseft wat er was gebeurt.

We maakten wat foto’s van de puinhoop en spraken even over wat er nu moest gebeuren: politie, aangifte, verzekering.

‘Nu kan ik niet meer slapen.’ zei het meisje beteuterd.

‘Je mag wel bij mij op de kamer komen liggen,’ bood Rebus aan.

‘Nee, dat hoeft niet, ik ga wel wat lezen.’

‘Dat lijkt mij verstandig,’ zei ik met een stem die iets lager klonk dan mijn gebruikelijke stem. ‘Dat zou ik ook doen. Wel, dit lijkt mij wel weer genoeg voor één avond.’ Ik gaf Rebus een knuffel en ging naar huis.

De nacht was heel anders geworden. Op weg naar huis zag ik gezichten van de mensen die ik tegenkwam: twee jongens die vlak voor de flat aan het roken waren keken me indringend aan. Misschien waren jullie het wel, dacht ik. Later de gezichten van twee giechelende meisjes die ik tegenkwam op het fietspad. Bij verzorgingstehuis stond een ploegje mensen in uniform. Agenten? Ik zag het gezicht van een blonde vrouw in de dertig. Ze keek met een blik van: ‘Wat doe jij hier nog?’ Ik kwam een politiebusje en een beveiligingsbusje tegen.

Voor de deur van de lift vloog een vlieg. Een gewone bromvlieg.      

Nijntje raakt verlicht

Er was eens lang geleden Nijntje_schilderij

in een land hier ver vandaan

een schattig klein konijntje

dat nog maar net kon staan

het konijntje was de dochter

van de koning van een land

en daarom dat ze sliep

in dit gouden ledikant

Haar papa en haar mama

deden net alsof

er geen pijn was in de wereld

want alles was er tof

Nijntje kon dagen spelen

met haar gouden knikkerbaan

en hoefde zich nooit te vervelen

en het paleis uit te gaan

Maar op een dag was nijn volwassen

en wilden nu toch werkelijk zien

wat er buiten te beleven viel.

Weet jij dat soms misschien?

Maar wat ze buiten toch eens zag

dat vond ze toch beslist niet fijn

ze zag andere dieren

in een wereld vol met pijn.

Hoe kan het nou toch komen

Dacht die kleine lieve nijn

dat er zo erg veel dieren

zo ongelukkig zijn

Ze besloot haar leven lang te zoeken

naar het antwoord op die vraag

want een leven zonder lijden

dat wil iedereen toch graag?

Ze begon met een beproeving

en die beproeving was heel zwaar

ze ging haast niets meer eten

en voelde zich heel naar

Ook probeerde ze om niet te slapen

en dagen op haar hoofd te staan

er waren er wel meer die dat deden

maar niemand had er echt iets aan

Uiteindelijk ging ons lieve nijntje

bijna van de honger dood

ze besloot dat deze manier van leven

op haar vraag geen antwoord bood

Toen is ze nog uiteindelijk

gaan zitten onder een boom

ze deed haar oogjes dicht

en vouwde haar handjes vroom

Voor dagen ging ze mediteren

ze bewoog zich niet in tijden

en liet zich zelfs niet door de duvel

van haar doel afleiden

Uiteindelijk begreep ze

wat ze aan alle pijn moest doen

en besloot het middel uit te delen

noch voor seks, noch voor poen

Ze zei tegen de konijnen

jullie kunnen allemaal

de verlichting snel bereiken

scheer nu jullie hoofden kaal

En dat deden de konijnen

en al was het geen gezicht

ze konden zich goed concentreren

En raakten snel verlicht

Nijn schreef alles wat ze wist

op een papieren reep

in een soort geheimtaal

dat niemand meer begreep

Nijn ging toen naar Holland

en trof daar een leuke knul

die van thee hield en van wierook

en al die andere flauwekul

KAPTEIN GRAAI's Foto-kunst-bespreking

Gaten vullen

Plakband Ik, de grote mentalist (of mind-hacker, want dat is nog cooler) Janse Heijn, zit achter een oude laptop op het bed van mijn ouders. Blootsvoets maar wel met een hoedje op: een zwart hoedje met de afbeelding van een dood jongetje met een oranje capuchon. Ik ben net met mijn voeten uit het hemelse tril-bubbel-voetenbad gekomen. Tegen mijn zin, maar ik had bloedsinaasappelsap in het bad gemorst en anders gaat zo’n ding stuk.

Zoals altijd mijmer ik. De laatste tijd beleef ik het klassieke identiteitscrisisje van de adolescentie dus mijmer ik extra veel. Het onderwerp van mijn huidige gedachtespinsels is de grote socioloog Giddens. Aanleiding: een oud nummer van ‘Opzij’, het feministische vrouwenblad. Het hoofdonderwerp van deze editie is vrijheid. Het losmaken van alle beperkingen. Op iedere pagina worden vrouwen voorgesteld die zich ergens los van hebben gemaakt: los van de religie van hun ouders, los van een bepaalde angst, los van een duffe relatie, los van één partner, los van stereotypen enz.

De grote vraag (die dus ook door Anthony Giddens wordt gesteld) is: wat ga je doen als vrij bent? Een voorbeeld dat Giddens geeft is dat vrouwen nu kunnen kiezen voor een flitsende carrière in de zakenwereld in plaats van een (stoffige) carrière als huismoeder. Dat betekent niet dat iedere vrouw kiest voor een carrière, sommigen willen liever huismoeder zijn.

Juist: je hebt geld, geen beperking behalve de wetten van je land, de wetten van de natuur en de wetten van de vriendschap. Wat ga je dan doen? ‘Opzij’ komt met suggesties: ga mediteren, een eigen bedrijf beginnen, ga andere heilige huisjes omschoppen, ga eens net doen alsof je een vent bent…

Het is inspirerend om over al je mogelijkheden na te denken. Ik heb afgelopen maanden ontdekt wat ik allemaal zou kunnen doen. Heel veel nieuwe spannende dingen: over glasscherven lopen, je dag- en nachtritme omdraaien, diepzeeduiken, een impresario starten, mijzelf een jaar lang opsluiten in een hutje in de bergen, nóg een vriendin nemen! Niets houdt mij tegen om dit alles te ervaren (alhoewel).

Marcus’ favoriete argument om iets te doen is: ‘Gewoon omdat het kán!’ maar als ik er over nadenk, dan vind ik dat een slecht argument. Juist omdat er zoveel kan, moet je goed oppassen met waar je uiteindelijk voor kiest. Uiteindelijk zijn we allemaal toch heel erg kwetsbaar en er is maar één heftige, slechte ervaring nodig om iemand in zijn ongelukkige schulp te laten kruipen. Nee, je kunt maar beter goed nadenken over wat je wilt ervaren en waarom je dat wilt ervaren, van tevoren onderzoek doen is erg verstandig.

De reden dat we sommige dingen doen is juist om van een bepaald gevoel af te komen: angst, ontevredenheid. Tot mijn eigen voldoening zijn een hele hoop dingen die eng lijken, helemaal niet eng. Zoals een slang bijvoorbeeld. Die is wel raar (omdat hij geen poten heeft) maar niet meer zo eng als je hem hebt vastgehouden. Als je dan eenmaal van zo’n angstgevoel af bent geeft dat inderdaad veel rust.

Maar moet je dan alles wat akelig is gaan bestrijden? Ben je dan gelukkig? Geeft het niet meer rust om gewoon te accepteren dat je uiteindelijk weer wordt beperkt door dingen? Je zou een leven kunnen besteden aan het dichtscheppen van alle gaten, zonder dat je ooit toekomt aan de vraag wat je gaat doen als alle gaten zijn gedicht? Nieuwe gaten zoeken? Is dat een leuk leven?

Liever zit ik in een voetbad en drink ik bloedsinaasappelsap en concentreer ik mij eventjes op de dingen waar die ik heb leren te waarderen nadat ik heb ontdekt dat het kón. En zo mijmer ik weer verder.   

Vliegen met Peer

Foto1164 'Ja, het is niet zo gek dat je misselijk bent; dit vliegtuigje accelereert sneller dan een formule-1 wagen.'

'Pfff, ah, vandaarrrr...'

KLANG!!!

'Oeps, volgens mij is de kabel gebroken.'

'Oei...'

'Nee, dat geeft niets. Dat vervangen ze beneden wel.'

...

'Zo nu vliegen we rustiger. Zullen we een termiekbel zoeken?'

'Eh... Ja, prima.'

'Ik denk niet dat we een termiekbel kunnen vinden met dit weer.'

...

'Hee, een termiekbel. Kijk, dat is nou leuk, kunnen we wat langer vliegen. Mooi. Kijk, links, daarbeneden ligt Arnhem en rechts -oh nee, nu voor ons- ligt Apeldoorn. Leuk he? Wat voro opleiding volg je?'

'...'

'Gaat het goed?'

'Nou, nee, ik ben erg misselijk.'

'Oh, nou dan zal ik een tijdje rechtuit vliegen. Dat zijn die zijwaartse G-krachten. Krijg je als je in een spriraal omhoog vliegt.'

'Hmhmmm...'

...

'Zo wel gaan landen. Hou je vast!'

zzzzzzzwoesjs, boeff, ieieieiep!

...

'Zo. Vond je het wel een beetje leuk?'

'Jawel maar mijn maag en mijn longen hebben volgens mij van plaats verwisseld.'

'Hehehe... Ja dat kan de eerste keer gebeuren.'

'Nee, maar... Toch bedankt! Het was heftig.'

terug van (ver) weg geweest

Foto0722_2 Na een writersblock van enkele maande is Janse weer terug. Dit keer met een reportage over zijn meest recente vakantiebestemming.

‘Zo, ga je nog op vakantie?’
‘Nee, ik ben net geweest.’
‘Waarheen? Naar Spanje? Is het water niet te warm?’
Ik probeer het spervuur van vragen van mijn nieuwe Surinaamse kapper even vlot te beantwoorden. ‘Nee niet naar Spanje, naar Marokko en water is niet te…’
‘Was het leuk?’
‘Eh, ja. Hele aardige mensen. Je verveelt je er geen moment. Bovendien…’
Mijn antwoord wordt opnieuw afgekapt met een nieuwe vraag: ‘Waar ben je in Marokko geweest?’
‘Vooral in de steden. Marrakech, Fez, Rabat, Casablanca, we hebben ook in de Atlas gewandeld.’
‘Nou leuk hoor. Wil je iets drinken? Thee, koffie, limonade?’
‘Thee alsjeblieft.’
‘Goed hoor, ik ga het nu halen. Wacht ik spoel eerst je haar even uit.’
Even later kom ik stijfjes met mijn nek uit de spoelbak en wordt ik op een kappersstoel gezet. Of ik zo laag mogelijk wil gaan zitten.
‘Zo, hier is je thee. Ben je nog op vakantie geweest?’
‘Ja, ik ben dus naar Marokko geweest.’
‘Ach ja, stom, dat vertelde je net. Was je daar alleen?’
‘Met een groep studenten. We hebben wat organisaties bezocht.’
‘Oh en zijn het aardige mensen?
‘Ja absoluut. Als je daar rondloopt dan denk je: die Wilders die is gek.’
‘Oh, nou ja, ik wil het niet over politiek hebben hoor, maar…’ - Als mensen zeggen dat ze iets vooral niet willen doen, dan betekent dat vaak dat ze het toch gaan doen. Je hoort heel vaak mensen de zeggen: ‘ík wil niet zeuren hoor, maar…’ en dan gaan ze toch zeuren. ‘Ik wil niet opscheppen,…’ en vervolgens is alle bescheidenheid nog sneller verdampt dan whiskyaroma’s in een bourbon-glas.
‘… maar, kijk, ik zie het zo, Nederland is een fantastisch land en ik kom ook uit Den Haag en ik ben van oorsprong Surinamer maar…’ En zo beland ik in de langste knipbeurt ooit, begeleid met een vermoeiend betoog over het geweldige Christelijke Nederland en dat men zich vooral moet aan passen en aan de regels moet houden.
‘Kijk ik was soms vroeger ook geen lieverdje. Ik heb ook kattenkwaad uitgehaald…’
‘Homo die je bent,’ denk ik bij mijzelf.
‘Maar je past je gewoon aan weet je wel. Mensen weten het niet te waarderen, het leven hier.’
Uiteindelijk ben ik dan weer netjes geknipt en heb ik alles braaf aangehoord. Daarom mag ik net zolang gel in mijn haar smeren als ik wil.

***

Ik zit in de trein van Casablanca naar Marrakech. Het is zo’n oude, slecht geventileerde, Franse trein met van die zes-persoons-coupés en een smal gangpad. De trein zit propvol. Ik heb een tijdje met wat mensen en wat bagage in het gangpad moeten staan. Ik had mijzelf al neergelegd dat dit de komende vier uur zo zou zijn. Op gegeven moment wilde er een kerel langs: de dikste Marokkaan die ik tot noch toe had gezien. Hij droeg een lange bruine jurk en z’n grappig hoedje (een fez). Voor drie seconde werd ik door zijn enorme flubberbuik tegen de wand geperst. De man bleef glimlachen dus bleef ik ook glimlachen. Glimlachen kan een situatie redden.
Na een tijdje maakten mensen plaats in de coupé zodat ik kon gaan zitten en ik raakte in gesprek met een jonge Marokkaanse studenten die tegenover mij zat en drie vrij goed Engels sprak.
Het gesprek ging over de Islam, Marokkaanse gewoonten, de regering en cultuur.
De jongen sprak welgemanierd en gaf eerlijk antwoord op mijn vragen. Een moment zag ik hem even aarzelen en toen vroeg hij zachtjes: ’Is it true that there are naked wimen behind windows in the Netherlands?’
‘Yes, thats true. There are prostitutes in the Netherlands. They even have to pay taxes.’
De jongeman keek even geschokt en stamelde toen: ‘Too open minded… Too open minded...’


Het dialoog van de Dalai Lama

Foto0374 Als je beroemdheden wil zien moet je naar Wageningen komen. Dit jaar opende de universiteit met een lezing van Kofi Annan. Vorige week was de president van Chili op bezoek, samen met Beatrix en Maxima. Een week daarvoor werden we bezocht door Prinses Irene. Via mijn mede studenten kreeg ik dit keer de kans om de heilige graal der beroemdheden live te zien: zijne heiligheid de Dalai Lama. Deze man is volgens mij populair om drie redenen: ten eerste omdat het de spirituele leider van het Boeddhisme is, ten tweede omdat hij het vuur uit zijn sloffen loopt voor een vreedzame oplossing van de Tibetaanse kwestie en ten derde omdat het een hele vriendelijke, wijze man is die graag grapjes maakt.

            Ik kon aanwezig zijn bij de opnames voor het programma ‘Nova College Tour’ waarin hij te gast was. Ik mocht hem zelfs vragen stellen. Sterker nog, dat was precies de bedoeling.

            Woensdagmiddag treinde ik dus met een groepje medestudenten naar Amsterdam. De zaak werd opgenomen in het dure Ocura Hotel. Toen we daar aankwamen stonden er al dranghekjes. Niet veel later kwam er een paarse Twingo aangereden. Daar zou je hem hebben! Helaas zat de Dalai Lama niet in de Twingo maar in een donkergrijze Opel met gepoetste velgen, die werd voorgegaan door twee motoragenten en werd gevolgd doro een stoet van andere dure auto’s. Iedereen begon te klappen toen hij uit de auto kwam. De Dalai Lama liep meteen naar de hekken om mensen de hand te schudden alvorens hij het gebouw inging om zijde sjaaltjes uit te wisselen.

***

Mijn hart klopt in mijn keel. Eindelijk krijg ik een microfoon onder mijn neus geduwd. Op nog geen drie meter afstand zit de Dalai Lama in kleermakerszit op zijn stoel. ‘Dear holiness, my name is Janse. This is my question: you say that in the Tibetan question, a lot of people loose their common sense. In what ways can we urge them to think logically about these problems?’

De presentator, Twan Huys, staart mij even aan en zegt vervolgens: ‘Hoe bedoel je precies?’ Dat had ik niet verwacht: ‘Well, just: how can you promote rationality in such a dialog?’ Twan Huys: ‘Dat lijkt mij een vrij complexe vraag. Misschien zijn er vragen die wat minder omvattend zijn?’

De Dalai Lama: ‘Yes, but I agree with you that people have to use their common sense and must not be illogical.’

Deze uitzending van het programma ‘Nova College Tour’ is voor Twan Huys waarschijnlijk de lastigste ooit. Niet alleen spreekt zijn gast in een andere taal, het is ook nog eens één van de mensen met het hoogste aanzien ter wereld. De Dalai Lama neemt rustig de tijd om lange, anekdotische en breed beargumenteerde antwoorden te geven op alle vragen van de studenten. Een ramp voor de mensen die deze drie uur durende sessie moeten monteren tot een programma van drie kwartier. Bovendien moet het programma diezelfde avond nog de lucht in.

Van al deze logistieke en technische kwesties lijkt de Dalai Lama zich weinig aan te trekken. Hij zit rustig op zijn stoel en legt geduldig alle nuances in de complexe Tibetaanse kwestie uit, terwijl de presentator op zijn stoel zit te wippen om hem af te kappen. Halsstarrig blijft hij de losse eindjes van zijn monniksgewaad over zijn dasspeld microfoon gooien. Op gegeven moment komt er een geluidsman die het microfoontje wat hoger opspeld. Als reactie op deze intimiteit trekt de Dalai Lama prompt maar zachtjes aan het baardje van de geluidsman in kwestie. Alle mensen die het zien barsten in lachen uit.

Iedere keer dat Twan de Dalai Lama onderbreekt zegt de Dalai Lama ‘No, wait, wait, wait, I’m not finished yet.’ Iedereen in de zaal moet weer lachen. De derde keer dat dit gebeurt licht de Dalai Lama het even toe: ‘This question is not about which fruit we buy today at the market. It’s a question about the problems of a country.’ Daar kan Twan het mee doen.

Na drie uur is dan eindelijk het moment gekomen dat de presentator het programma eindelijk kan afkondigen. ‘Dit was Nova College Tour. Volgende keer is onze gast Prinses Irene. Kijken dus en tot ziens.’ Een oorverdovend applaus laait op, maar de Dalai Lama maant de zaal tot stilte. Hij heeft nog een boodschap voor de studenten. Vervolgens begint hij aan een lang, diepgaand verhaal, dat zijn werkelijke boodschap naar voren brengt. We moeten compassievol leven, ons geen zorgen maken, logisch nadenken en vooral aan gezinsplanning doen.

Dan komt het antwoord op mijn vraag: de manier om tot rationele, verstandige oplossingen te komen is, volgens de Dalai Lama, een dialoog aangaan met anderen. ‘But if someone in the dialog suddenly pulls a gun out of his bag, then you better run!’ Applaus en gelach in de zaal. Zo geeft de Dalai Lama ons nog een lezing van twintig minuten lang. Ik voel mij zwaar bevoorrecht, wetend dat de Dalai Lama morgen onderricht zal geven aan een volgepakte RAI. Ik heb meer dan drie uur van heel dichtbij naar hem kunnen luisteren en het kostte niets.

          

Krasheadar

53

Krasheadar, de geestvogel. Iedereen hier kent zijn naam; niemand durft hem uit te spreken. Al weken ben ik hier gestationeerd en ik vervul mijn plicht. Het is ongelofelijk saai. De lokale bevolking is vriendelijk maar terughoudend. ’s Ochtends staan ze vroeg op en brengen ze hun kuddes naar de vlakten. Daar laten ze hun vee dan grazen terwijl ze zelf manden vlechten of gedichten schrijven voor na de avondmaaltijd.

Ik verlang naar een stukje brood met wat pindakaas of jam. De mensen leven hier op grauwe gerstepap, soms gezoet met wat honing. Nog 53 dagen voordat ik wordt afgelost. Dat duurt nog een eeuwigheid. Een eeuwigheid waarin niets gebeurt. Het enige dagelijkse lichtpuntje is de ceremonie voor het slapengaan, waarin de oudere inwoners hun verhalen voordragen, de jonge meisjes zingen en de herders hun poëzie voordragen. Natuurlijk kan ik het allemaal maar met moeite verstaan maar ik put er troost uit. Mijn fantasie wordt er door geprikkeld.

46

Ik houd het hier niet meer uit. Aan de dorpsoudste vraag ik naar de met bomen begroeide heuvels aan de overkant van de vlakte. Hij zegt me dat er inderdaad een oud bos is, waar hun voorouders ooit woonden. Nu willen ze er niet meer komen want het bos wordt tegenwoordig bewoond en geregeerd door geesten. Naar ik begrijp stikt het woud ervan. En er woont één oppergeest: de vogel Krasheadar. Allemaal verzinsels natuurlijk maar de mensen hier geloven er in. Ik vraag hoe lang het duurt om er te komen. Drie dagen. Ik neem een besluit. Morgen ga ik weg. Op avontuur.

45Kras1

Ik sta vroeg op om mijn rugzak te pakken. De mensen hier zijn al op het land. Ik neem niet alles mee, slechts een deken, wat kookgerij en een kapmes. Ik vul mijn veldfles bij de waterput en ik vertrek.

De lucht is bedrukt en het is windstil. De tocht over de vlakten verloopt zwaarder dan ik dacht. Op het oog lijkt alles vlak maar het terrein is zwaar oneven. Je moet uitkijken waar je je voeten plaatst. Na een paar uur vind ik een kleine waterpartij. Er lopen wat ibissen in rond, heilige vogels volgens de lokale bevolking. Zou Krasheadar eruit zien als een Ibis? Waarschijnlijk niet. Krasheadar is een wezen dat zich voed met de zielen van andere wezens.

 

Kras2 Na nog drie uur lopen veranderd het terrein. Er is meer begroeiing. De heuvels met de bossen lijken nu dichterbij. Er staat hier een oude herdershut. Ik sla mijn kamp hier op.

44

Ik heb onrustig geslapen. Ik sta stijfjes op en verlaat de oude herdershut. Ik vertrek weer richting de heuvels. Het is een zware tocht, maar na een dag vol zweet, distels en een verstuikte enkel ben ik aan de voet van het bos beland. In slechts twee dagen. Heel netjes. Morgen begin ik met de klim.

43

Kras6 Na een paar uur door het bos gelopen te hebben, krijg ik het akelige gevoel dat er iets niet klopt hier. Het terrein wordt steeds ruiger en moeilijker te doorkruisen. De grond is begroeid met varens en verschillende soorten netelige planten. Er is weinig licht. Het is doodstil hier. Geen geruis van de wind door de boomtoppen. Geen gekraak van takken. Zelfs geen kwetterende vogels. Het enige dat ik hoor is mijn eigen, onrustige ademhaling. De lucht is bedompt hier. Het lijkt wel alsof er helemaal geen diertjes leven hier. Ik zie nergens insecten kruipen. Soms heb ik het idee dat er dingen om mij heen bewegen, maar ik weet het niet zeker. Dit bos lijkt leeg.

Rond het middag uur kom ik iets geks tegen: een trap. Recht tegen de heuvel op. Gemaakt van oude stammen. Ik begin hem te beklimmen, maar halverwege moet ik uitrusten. Er lijkt geen einde aan te komen.

Hoe komt die trap hier? Is hij gemaakt door de voorouders, waar de dorpelingen het over hadden? Waarschijnlijk. De treden zijn half vergaan en je moet goed uitkijken waar je loopt. Eenmaal bovenaan is het bos nog dichter. De trap moet betekenen dat er nog meer resten Kras4 van menselijke beschaving moeten zijn. Na een tijdje vind ik die ook.

Ruines. Niet van natuursteen, maar van bakstenen. Als ik er doorheenloop krijg ik een raar gevoel: het gevoel alsof ik helemaal niet welkom ben hier. De natuur heeft alles overwoekert. De bomen voelen hier raar aan. De schors is niet ruw, zoals hij er uitziet, maar voelt poreus en sponsachtig aan. Ik durf geen boom meer aan te raken. Wat is hier aan de hand? Waar ben ik aan begonnen?

Ik bouw een hut van takken en mos, vlak bij de ruines. Ik kan echter moeilijk slapen. Het is hier gewoon te stil. Ik heb steeds het gevoel dat ik mijn ogen open moet houden. Na uren beland ik in een onrustige droom.

42

Wanneer ik wakker wordt voel ik mij ellendig. Mijn deken is klam van het zweet. De lucht lijkt te gonzen. Er klinkt een golvend gezoem. Ik vervolg mijn wandeltocht door het kreupelhout. Ik laat de oude gebouwen achter mij.

Voor het eerst in dit bos kom ik een dier tegen. Iets wat lijkt op een Kras9 vlinder zit doodstil op een stam. Ik leg mijn hand er op, maar ik voel alleen het sponsachtige schors. Als ik mijn hand weer weghaal zit de vlinder er nog steeds. Onbeweeglijk. Ik bekijk het diertje goed en besef dat ik door hem heen kan kijken. Deze vlinder is geen vlinder. Het is een geest of een illusie. Dit bos maakt mij gek.

Na een uur lopen zie ik weer een geest. Ik sta abrupt stil en probeer mijn ogen scherp te stellen op de gedaante die daar doodstil tussen de bomen staat. Mijn hart bonst als een bezetene en er lopen rillingen over mij hele huid. ‘Hé! Wie is daar!’ roep ik. De gedaante verroert zich niet.

Kras10 Ik besluit terug te gaan. Dit bos werkt op mijn zenuwen met al zijn spookverschijningen. De bladeren knisperen onder mijn voeten het gegons klinkt in mijn oren als ik de duistere gedaante achter mij laat. Plots struikel ik over een tak en val op de grond. Er klinkt hoog, ijl geluid door de lucht en een duistere schaduw flitst over mij heen. Een gedaante in de vorm van een donkere vogel. Krasheadar. Ik schreeuw. Maar het geluid wordt gedempt door het zware gegons dat steeds luider wordt.

1

Hoe ik ooit ben terug gekeerd weet ik niet. De bewoners van het dorp Kras12_2 bij mijn post hebben mij verzorgd toen ik als een gestoorde terugkeerde. Vandaag ben ik opgehaald door een donkergroene Jeep. Op de basis ligt er een verassing op veldbed: een grote zwarte veer. Niemand die ervan afweet.

Krasheadar zit in mij.

Ziek in vier stappen

In deze weblog beschouwt Janse hoe zijn gezondheid hem tijdelijk in de steek laat maar de rest niet.

Hoogwater1 Stap 1

Zorg voor weinig weerstand. Eet niet te veel fruit. Schenk even geen tijd aan je conditie en plan je agenda vol. Doe veel aan school en doe nog meer ernaast. Zorg voor een goede dosis stress. De beste garantie voor ziek worden is om dan tot vier uur ’s nachts mee te helpen op een feestje en dan weer vroeg opstaan.

Ik vind het schandalig van mijzelf dat ik mijn gezondheid op zo’n voorspelbare wijze heb laten aftakelen. Gelukkig weet ik ook wat ik moet doen om weer beter te worden…

Stap 2

Vrijdagmiddag lig ik met Corine in de uiterwaard. De zon schijnt en wat verderop staan wat paarden te grazen. We eten samen uit een bak bananen-caramelijs van de Albert Heijn. Mierzoet maar best lekker. Als we niet meer kunnen gaan we languit op de grond liggen en we kussen zachtjes. Maar ik ben er niet bij met mijn hoofd; mijn geest gedraagt zich als een onrustige wolk van zoemende bijen. Er prikken harde kluiten aarde in mijn rug en er vliegen de hele tijd beestjes in mijn neus.

Ik sta op en loop naar de waterkant. Corine komt achter mij aan. Er is een begroeid stukje langs de rivier waar ik op een imaginaire ontdekkingreis ga. Er ritselt iets, een paar meter voor mijn voeten. Het is een donkergroene slang. Corine ziet hem ook. ‘Wat mooi.’ zegt ze rustig. Dat is een andere reactie dan wat je van de meeste meisjes zou verwachten.

De slang kruipt haastig weg. Wij vervolgen onze tocht door het kreupelhout van de woeste natuur. Ik probeer de lege condoomhulzen op de grond uit alle macht te negeren. Op gegeven moment zie ik iets. ‘Niet bewegen!’ zeg ik tegen Corine. Het is een boomstronk. Rustig loop ik er op af met mijn arm uitgestrekt. Ik laat de stronk voorzichtig aan mijn hand ruiken. ‘Kom maar, Corine, dan kun je hem aaien.’ Corine komt dichterbij en aait de boomstronk over zijn hals.

We gaan daarna nog even naar de paarden kijken en naar het stromende water van de Rijn. Maar eigenlijk wil ik naar huis. Ik leg het uit aan Corine en ze gaat met mij mee. Thuis gaan we samen in mijn eenpersoonsbed liggen. Nog steeds bevind ik mij in een soort trance. Samen bladeren we door een boek met foto’s van een wonderschoon, onbewoond tropisch eiland.

Als het tien uur is gaan we koken. We eten terwijl we een film kijken over een Tibetaanse monnik die uit een klooster vlucht om de echte wereld te leren kennen.

Na de film gaan we naar bed.

Stap 3

Ik word wakker naast mijn lief. Mijn hoofd zit vol met snot en andere dingen. Ik voel mij bepaald niet beter. Vandaag had ik beloofd op te treden op Unitas. Ik zou een korte inleiding geven op de film ‘The Prestige’ die ze zouden kijken. Het was om twee uur ’s middags en ik wist nog niet eens wat ik zou gaan doen tijdens die presentatie.

Samen douchen we en we ontbijten met tosti’s. Ik krijg mijn tweede tosti maar half op. Snel doe ik een paar trucs in een katoenen tas en trek ik iets goochelaarsachtigs aan. Corine moet nog even langs huis om haar luidruchtige kat Mao eten te geven en wat spulletjes te pakken. Zelf fiets ik zwetend de berg op. Eenmaal op Unitas word ik gebeld door mijn moeder. Ik volg niet echt wat ze zegt. Er was post van mijn telefoonaanbieder. Quinten bijna jarig. Bijna Pasen. Tuin in bloei. James mist mij.

Het optreden gaat goed. Om vijf uur drink ik een kopje thee bij Rebus thuis. Rebus is mij er een. Iedere keer dat ik hem zie denk ik: ‘Dat is de Grote Vriendelijke Reus’. Hij is langer dan ik. Heeft korte, donkere stekeltjes en diepbruine ogen. Hij laat altijd zijn schouders hangen en oogt dan misschien wat slungelig. Hij heeft een passie voor verantwoord en lekker eten en pianomuziek van Satie. We maken samen wat muziek en gaan dan weer terug naar Unitas. Daar eten we en we kijken naar een Monty Pyton film. Daarna ga ik naar huis.

Stap 4

Ik word zondag om twaalf uur ’s middags wakker. Mijn lichaam voelt aan alsof alle energie eruit is gezogen. Loom ga ik onder de douche staan en laat het hete water over mijn lichaam glijden en zo al het opgedroogde zweet van mijn lichaam spoelen. Ik heb meer dan dertien uur geslapen en toch voel ik mij dodelijk vermoeid.

Het is palmpasen en mijn ontbijt bestaat uit zes San Fransisco-biscuits, twee kiwi’s, een paracetamol en een glas coca-cola zero. Ik ga terug in bed liggen met een stripboek en een kop hete koffie. Ik rust uit. Gewoon niets meer doen, alleen maar beter worden.    

Laatste reacties

  • Rebus Je hoeft je geen zorgen te m
  • Skitty Haha, wat een avonturen weer
  • Skitty JANSE! Wat is er met je webl

november 2009

ma di wo do vr za zo
            1
2 3 4 5 6 7 8
9 10 11 12 13 14 15
16 17 18 19 20 21 22
23 24 25 26 27 28 29
30