Mijn foto

Laatst bijgewerkte weblogs

Blog powered by TypePad
web-log.nl, powered by TypePad

Hoe een aap kan winnen van Shakespeare

Shakespeare Deze weblog gaat over de waarde van kunst. Een lastig, filosofisch onderwerp dat ik probeer te benaderen met een metafoor. Als jullie er op een andere manier over denken, laat het mij dan weten!

 

Taal wordt door biologen als de belangrijkste reden gezien voor het feit dat wij mensen zo slim zijn. Door taal zijn we in staat om heel precies ideeën uit te wisselen over onze omgeving zodat we ons als groep snel en efficiënt kunnen aanpassen. Een verschil tussen mensapen en mensen is dat mensen volledig rechtop lopen en mensapen niet. Door deze aanpassing kwam ons strottenhoofd wat meer vrij te staan en konden we veel meer klanken maken. Daarom zijn apen wel in staat zijn om met ons te communiceren via gebarentaal maar kunnen zij nooit mensentaal leren spreken.

Er is een idee over het onderwerp ‘waarschijnlijkheid’ dat mij erg fascineert: het typemachine concept. Deze theorie luidt dat als je een aap maar lang genoeg achter een typemachine zet, hij (of zij) vanzelf sonnetten van Shakespeare zal typen. Experimenten wijzen uit dat de benodigde hoeveelheid tijd in de praktijk oneindig is en daarom zullen wij nooit meemaken dat een orang-oetan ons een zelfgeschreven exemplaar van ‘A Midsummer Nights Dream’ zal overhandigen.

Op dit idee wil ik in deze uiteenzetting verder gaan. Mijn stelling is dat in de tijd dat we zitten te wachten op de sonnetten van Shakespeare de aap dingen typt die goed beschouwt veel knapper zijn dan wat die oude Brit ooit schreef. Met deze stelling verleg ik de nadruk van de eerste stelling van de waarschijnlijkheid naar die van de waarde van de kunst. Later zal blijken waarom.

Vanuit de statistiek is het is verleidelijk om deze stelling te onderbouwen met het argument van het toeval: in de eeuwigheid dat het duurt voor de aap om bij toeval de correcte letters van de zin ‘To be or not to be?’ achter elkaar te typen is het hoogstwaarschijnlijk dat de aap (natuurlijk ook bij toeval) een van de vele mogelijke verzen schrijft die superieur zijn aan die van Shakespeare.

Dat vind ik een mooi argument maar het komt met een paar praktische problemen. Ten eerste heb je een hele boel apen nodig (en een aanzienlijk aantal typemachines) om een aaneengeschakelde situatie te creëren van een aap achter een typemachine. Om de tijd wat sneller te laten gaan zouden we een team van apen nodig hebben die parallel aan het typen zijn (hier veronderstellen we natuurlijk dat de karakteristieken van alle individuen gelijk zijn, wat niet zo is). Deze klus is –tot op zekere hoogte- nog wel realiseerbaar. Ik zou zelf adviseren om te experimenteren met kapucijnapen en makaken.

Een veel groter probleem is natuurlijk de manier waarop je het werk van de apen beoordeeld. Wanneer is een werk van een aap beter dan dat van Shakespeare? Mijn gevoel dreigt te roepen: ‘Altijd!’ maar dat is wellicht omdat ik veel meer sympathie kan opbrengen voor onze klauterende achterneefjes dan voor de snierende, doodsaaie dichter (Ik kan het niet beter formuleren dan Rowan Atkinson die in een van zijn sketches Shakespear in elkaar trapt emt de woorden: ‘And thats for all the hours spend at schooldesks trying to find ONE joke in “the midsummer nights dream!”’). Nee, ik kan maar beter mijn eigen emoties negeren en de beoordeling aan de experts overlaten. Maar dan zitten we met het bekende probleem waar we ook al tegen aanbotsten toen we probeerden theologen expertise toe te schrijven (wat veel filosofen niet is gelukt). Expertise moet immers gebaseerd zijn op begrip en vaardigheid. Vaardigheid is niet zo lastig. Als je maar lang genoeg iets doelgericht beoefend wordt je meestal vanzelf vaardig. Als dit niet zo zou zijn, dan kon Kim Clijsters het zo afleggen tegen Robin van Persie (die naar ik weet geen geoefend tennisser is). Nee, het probleem zit hem in het begrip: een violist kan, na jaren te hebben geoefend, een stuk op de noot precies uitvoeren. Dat betekend niet automatisch (al nemen velen dit wel aan) dat hij begrijpt waaróm het stuk mooi is. Hier raken we de kern van de zaak: waarom zouden we moeten luisteren naar de kunstexpert? Waarom zouden we niet vertrouwen op onze eigen smaak? Dit interpretatieve probleem (wat het natuurlijk is, kunst krijgt pas waarde in de communicatie) heeft, naar mijn mening, twee mogelijke oplossingen. Het zijn de twee uitersten van de emotionele ladder. Het eerste idee werd mij geopperd door een Boeddhistische hoteleigenaar met een eigen muziekstudio. Hij zei: ‘Als we concepten als “mooi” en “lelijk” laten vallen dan kunnen we pas werkelijk muziek ervaren.’ Hier komt de aap (met belachelijke eenvoud) meteen naast Shakespeare te staan. Immers: als we de concepten ‘mooi’ en ‘lelijk’ afdoen als ‘per definitie subjectief’ dan heeft de tekst: ‘ndlswjvfksnl jfkifhki’ dezelfde waarde als: ‘Oh Romeo, were art though Romeo? ’. Het worden dan, inderdaad, beide ervaringen zonder oordeel waarmee de aap wellicht niet de schoonheidsprijs wint maar hij in ieder geval geen lelijker ding is dan Shakespeare.

Tsja, voor een Boeddhist is dat natuurlijk ideaal. Geen oordeel, geen verlangen, geen ego, gewoon zijn. Een ambitieuze chimpansee is door deze opvatting echter zwaar teleurgesteld: hij kan nooit winnen en zal nooit de meest succesvolle zijn! De vrouwtjes zullen hem niet aanzien als de leider en zijn genen eindigen in een finale pitstop.

Daarom laten we de Boeddhist even zitten op zijn kussen en kijken we naar de tweede optie. Deze optie zegt: we gaan wél oordelen en we doen dit puur op emotie (dus volledig subjectief. Boeiend!) Het enige wat de aap nu hoeft te doen is een stuk te produceren dat mensen meer emotioneel raakt dan dat van Shakespeare. Kan hij dat? Jazeker!

Wanneer zijn we emotioneel geraakt? Bijvoorbeeld als we zien dat een medemens, bijvoorbeeld op een podium, zijn diepste angst en verdriet in alle oprechtheid uit. We krijgen dan een gevoel van mededogen, van begrip en het verlangen om de ziel te helpen. Dit is een schitterend gevoel. Shakespeare eindigt Romeo en Jullie met de dramatische (maar ook een beetje stompzinnige) dood van zijn twee hoofdpersonages. Macbeth eindigt eveneens met een bloedbad, krankzinnigheid en dood. Dus de missie voor onze denkbeeldige aap is dit te overtreffen. De aap moet iets op papier zetten dat van meer vurige passie, doffe ellende, roeszalig geluk en suïcidaal-makend verdriet getuigd dan de dichtkunst van Shakespeare. Let op! Het dichtwerk hoeft niet eens perfect te zijn. Vaardigheid is in dit geval onderdanig aan begrip (in dit geval het begrip dat we mensen willen ontroeren) en dit begrip is in dit geval de mate waarin de aap zijn diepste emoties kan uiten.

Om dit te bereiken moeten we trouwens ook switchen van aap. Eerder suggereerde ik dat de beste apen voor deze klus kapucijnapen en makaken waren. Dat schreef ik om dat ik denk dat als het gaat om wil en uithoudingsvermogen deze (kleinere) apen het hoogst scoren. Wil en uithoudingsvermogen zijn in een vraagstuk over waarschijnlijkheid prima kwaliteiten. Als het gaat om het uiten van diepe gevoelens dan scoren makaken en kapucijnapen uitermate slecht: ze kloten maar wat aan! Daarom zie ik mij genoodzaakt op deze lieden (nogal abrupt, geef ik toe) te ontslaan. Nee, voor deze klus hebben we een mensaap nodig. We kunnen kiezen uit vier soorten: orang-oetans (liever niet; te hippieachtig), chimpansees (valt te overwegen, maar is waarschijnlijk niet subtiel genoeg), bonobo’s (te eenzijdig) of gorilla’s.

Ik denk dat we een gorilla nodig hebben. Dit zijn hele oprechte, gevoelige apen. En dan moeten we nog een individu kiezen. Een exemplaar dat heel veel gevoelens ervaart, met veel contradicties leeft en niet schroomt om zich te uiten. De lezer heeft nu, als het goed is, al een individu in zijn hoofd die uitermate geschikt is: Bokito. Jawel, de alfaman die zo radeloos was van passie dat hij in één uur zowel ‘The Great Escape’ als ‘King Kong’ overtrof. He fits the job perfectly.

Nu nemen we een sprong in de toekomst en veronderstellen dat Bokito wederom de voorpagina haalt en dit keer om de reden dat hij hartverscheurende dramatiek geschreven. Zo mooi, dat de recensies spraken van: ‘Een werkelijk álles overtreffend werk.’ Mensen en apen over de hele wereld zijn in hun hart geraakt en sluiten vrede met alles en iedereen: met de natuur, met de moslims, met zichzelf.

Het is natuurlijk ook mogelijk dat Bokito faalt… Misschien zijn we al te ver heen…

Het einde van het lijden

Passionofthechrist Betrouwbaarheid en geluk

Deze blog gaat over geluk. Ik ben er van overtuigd dat ieder mens gelukkig wil zijn en niet ongelukkig. Sommige mensen denken dat geluk iets in de genen is. Bepaalde mensen zíjn nu eenmaal gelukkig; andere mensen zijn nu eenmaal ongelukkig. Andere mensen (zoals ik) geloven dat geluk iets is dat je kunt worden als je het nog niet bent.

Deze blog gaat ook over de waarheid. Ik ben een aanhanger van wetenschappelijke methodologie. Ik denk er geen betere aanpak is bedacht om te begrijpen hoe de werkelijkheid in elkaar steekt dan de wetenschap. Als iemand die dit leest overigens denkt dat er wél een betere methode is bedacht, dan wil ik die heel erg graag horen. Tegenwoordig lijkt het of mensen het vertrouwen in de wetenschap dreigen te verliezen. Maar bedenk wel dat de meeste mensen zonder angst of twijfel in een vliegtuig stappen (die functioneert en is geperfectioneerd naar wetenschappelijke vondsten) en zich als het er op aan komt helemaal over geven aan een bevoegde arts als ze een ziek zijn en beter willen worden.

Wat wil het zeggen als wetenschappers zeggen dat homeopathische geneesmiddelen niet werken? Dan betekent het dat ze geen verband hebben gevonden tussen het genezingsproces en het middel dat wordt verondersteld dit genezingsproces te bevorderen. Als dit verband er wel zou zijn dan zou het homeopathische middel een gewoon medicijn worden. Zo simpel is het. Het grote verschil tussen wetenschap en geloof is dat de wetenschap nergens van uitgaat totdat het bewezen is. Geloof veronderstelt eerst al een heel ingewikkelde theorie over hoe alles werkt en in elkaar steekt en als er al getest wordt dan gebeuren deze testen vanuit dat geloof.

 

Is puur geloof een betrouwbare bron om je wereldbeeld op te baseren?

Mijn huidige definitie van geloof is: zware emotionele gehechtheid met iets dat niet zorgvuldig is bewezen. Ik zie geloof zonder bewijs als een grote fout die veel mensen maken en ik begrijp niet waarom mensen zo onzorgvuldig met hun overtuigingen omgaan. En dat terwijl de claims die gelovigen maken vaak toch redelijk goed te testen zijn. We kunnen bijvoorbeeld testen of bidden helpt of niet (is heel uitgebreid gedaan en het helpt niet). We kunnen testen of de aarde ongeveer zesduizend jaar is (is ook, heel erg betrouwbaar getest en de aarde blijkt aanzienlijk ouder te zijn dan zesduizend jaar). We kunnen testen of wij mensen zijn geschapen of zijn geëvolueerd (we zijn, zoals wetenschappers overal ter wereld iedere dag aantonen, geëvolueerde wezens).

Natuurlijk kun je bij al deze testen natuurlijk zeggen: ik geloof niet dat dit is bewezen. Maar: als er iedere dag intelligente, gestudeerde mensen met testresultaten komen die aantonen dat jij AIDS hebt, dan zou ik persoonlijk de moeite nemen om daar even naar te kijken en wellicht daar iets mee te doen.

Ik ken een hoop starre gelovigen systematisch blijven ontkennen dat wij geëvolueerd zijn uit aapachtige voorouders. Als ik een diagnose zou moeten stellen dan is dit pure gehechtheid aan je eigen idee. Dit is natuurlijk ook niet zo gek. ‘We gaan allemaal onvoorwaardelijk dood en er is niemand die voor ons zorgt’ steekt natuurlijk schraal af tegen: ‘Een lieve, vaderlijke schepper geeft je een eeuwig leven op de fijnste plek die er bestaat.’ Wie hoor je liever? De nuchtere, koele wetenschapper die je vertelt dat je een organisme bent dat enkel uit is op overleven of de aardige priester die je vertelt dat er iemand is die altijd van je houdt en dat die vriend ook nog eens almachtig is. Dat is het werkelijke probleem: religies slagen er beter in mensen gelukkig en hoopvol te maken dan de wetenschap.

Is er dan geen objectieve manier om gelukkig te worden? Ik denk van wel!

 

Zijn we niet al gelukkig?

In de vorige paragraaf bleek dat de wetenschap ons weinig in handen geeft om gelukkig van te worden. Alle objectiviteit, alle testresultaten, alle kosten en moeiten ten spijt: na honderden jaren wetenschap zijn er nog steeds ontzettend veel mensen die niet oprecht kunnen zeggen dat ze gelukkig zijn.

Begrijp me niet verkeert: de wetenschap heeft heel veel bereikt als het gaat om het verbeteren van onze welvaart en onze gezondheid. Zonder wetenschap was ik (met mijn hartafwijking) waarschijnlijk niet ouder geworden dat één jaar. Zonder wetenschap zat ik nu niet op mijn computer te typen en ondertussen veilig voedsel te eten.

Maar ondertussen lijden mensen nog steeds: ze voelen irritaties over het verkeer, voelen constant onzekerheid, voelen angst om hun baan te verliezen, voelen verdriet om al het geweld op TV en voelen haat tegenover hun medemens en zijn vaak domweg ontevreden. We lezen iedere dag over mensen die het lijden niet meer aankunnen en zichzelf (of een ander) doden om hun lijden te beëindigen. We zien elke dag de bedroefde gezichten van mensen die hun bezit zijn verloren. De boze gezichten van mensen die voelen dat hun onrecht is gedaan. De angstige gezichten van mensen die op zoek zijn naar een veilige plek om te wonen. Mensen zijn ongelukkig. Overal op de wereld.

Ongeluk is een al vrij extreme vorm van lijden. Ontevredenheid en twijfels zijn al wat mildere vormen (al kunnen die je ook helemaal gek maken). Ik zie het iedere dag bij mijn studiegenoten: onzekerheid over hun relaties, tentamens, gezondheid en hun studiefinanciering of lening. Ontevredenheid over hun studie, de mensen met wie ze samenwonen, het openbaar vervoer. Ook dit soort gevoelens staan je geluk in de weg.   

Nu, beste lezers, ga ik zelf een claim maken: ik heb de oplossing om eens en voor altijd af te rekenen met al dit ongeluk. Een oplossing die wetenschappelijk kan worden onderbouwd! Een oplossing die universeel is! En deze oplossing is: het volgen van het Boeddhistische pad! *trekt fels champagne open*

 

Wie was de Boeddha?

Een sprookje met een hoopgevende boodschap (deze versie is geschreven door Steil):

Lang geleden was er eens een rijke prins die, tot zijn twintigste of zo, redelijk gelukkig had geleefd omdat zijn ouders alles in werk stelde om alle narigheid uit zijn omgeving te halen. Dode blaadjes werden opgeveegd en zieke personeelsleden kwamen het paleis niet in, hij werd gekoppeld aan een bloedmooie vrouw, kreeg een gezond kind die op zijn beurt weer een zonnige toekomst tegemoet ging.

Alles ging hem voor de wind totdat de prins op een dag, ondanks de vele waarschuwingen van zijn ouders, stiekem langs de wachters van het paleis naar buiten glipte. Daar, buiten de poorten van het paleis zag hij iets verschrikkelijks. Op nog geen tien meter zag hij een vrouw het leven geven aan haar kind. Het leek niets op wat hij in het paleis had geleerd. De vrouw schreeuwde het uit van de pijn en leek er bijna onder te bezwijken. Het kind schreeuwde zijn longen leeg en leek nog minder plezier te hebben in de hele situatie dan zijn moeder.

Geschokt liep de prins verder. Maar nauwelijks was het geschreeuw achter hem weg gestorven of hij zag een jongetje op de hoek met holle ogen naar hem kijken. Nouja jongetje, er was nog maar weinig van hem over. Zijn vingers waren niet meer dan een paar zielige stompjes en zijn huid zat vol met bloederige zweren.

De prins kon het niet geloven. Wat was dit voor een plaats? Was er hier niemand normaal.

Een man die ongeveer twintig jaar ouder dan zijn vader moest zijn kwam op de prins af. Zijn rug was gekromd, hij had een stok nodig om niet om te vallen en hoewel hij duidelijk iets wilde zeggen kwam hij moeilijk uit zijn woorden. Zou zijn vader er ook ooit zo uit zien? Zou hij zelf er ooit zo uitzien? De prins moest kokhalzen bij alleen al de gedachte.

Gehaast rende hij terug naar het paleis maar voordat hij de poort had bereikt zag hij het laatste dat hij had willen zien. Hij zag een vrouw langs de kant van de weg sterven. De vrouw was dood. DOOD! Hoe kon dit waar zijn? Zou hij ook dood gaan? En zijn vrouw? En zijn kind? En iedereen om wie hij nu zoveel gaf?

Dit was het ‘point of no return' . De prins nam zich voor dat vanaf nu af aan niet te rusten voordat hij er achter was waar dit onontkoombare lijden vandaan kwam.

Hierop volgde vele omzwervingen en avonturen. Hij ging bij mensen in de leer, werd asceet, at voor maanden lang niets anders dan boombladeren, maar het hielp niet. Uiteindelijk liep de prins naar een boom toe, legde er wat zachte blaadjes en gedroogd gras voor, ging zitten en deed niets. Hij bleef stil zitten. Hoeveel gedachten er ook voorbij kwamen, hoeveel verlangens hij ook kreeg om iets anders te doen. Hij zag ze allemaal voorbijkomen maar hij deed niets. Hij werd gekweld door zijn geest, door de stemmetjes in zijn hoofd, door alle nare gedachten, maar de prins deed niets. En na ... dagen hield alles op, en de prins opende zij ogen en zag. Hij zag de hoe iedereen constant aan het lijden was. Hij zag dat het kwam door de onze verlangens en begeerten. Maar bovenal zag hij dat er een weg is uit deze cirkel van lijden is en dat dat de ultieme staat van geluk was, die hij verlichting noemde. En zo werd de was er de eerste Boeddha, hij die verlicht is.

 

Wie zijn er dus verantwoordelijk voor al ons ongeluk?

Dat zijn wij zelf. Er gaat iets fout als we proberen te anticiperen op onze omgeving, maar wat precies? Volgens het Boeddhisme is dat als we gaan bedenken wat er allemaal beter had gekund aan de situatie. Omdat er in ons hoofd alternatieven worden gevormd die veel prettiger zijn dan de werkelijkheid, gaan we van de werkelijkheid verlangen dat hij was zoals in ons hoofd omdat dit natuurlijk niet zo is ontstaat er onvrede.

Waarom is dit zo problematisch? Omdat je zodra je een verlangen hebt vervuld er weer veel meer nieuwe verlangens voor in de plaats komen. Dingen kunnen altijd beter, er is een hoop te krijgen en er is een hoop te doen. Naast het verbeteren van onze materiele, fysieke omgeving, is het dus misschien een goed idee om onze eigen geestgesteldheid te verbeteren.

 

Hoe kunnen we onze eigen geestgesteldheid verbeteren?

De Boeddhistische leer stelt dat ons mentale geluk van verschillende dingen afhankelijk is maar het belangrijkste is dat je stopt met het doen van bepaalde zaken. Dit soppen noemen Boeddhisten meditatie. Ze gaan gewoon zitten op de grond en houden hun aandacht gericht op hun ademhaling en doen verder niets. Door zich zo stil te houden kunnen ze op den duur heel erg nauwkeurig focussen op wat er in hun hoofd omgaat.

 

Wetenschap en Boeddhisme

Eerder zagen we al dat claims uit het christendom te testen zijn en dat de meeste claims (als je die letterlijk neemt) moeilijk te rijmen zijn met empirische bevindingen. Is dit ook zo bij het Boeddhisme? De Boeddha zei: ‘Geloof niets van wat ik zeg. Test alles uit en wees kritisch!’ De Dalai Lama zegt: ‘Als de wetenschap aantoont dat er iets in het Boeddhisme niet klopt, dan moet het Boeddhisme veranderen.’ Het lijkt erop dat deze heren vrij optimistisch zijn en waren over de soliditeit van hun leer. Laten we eens verschillende Boeddhistische claims naast elkaar zetten. Nu zijn de eerste dingen waar we onze pijlen op zouden willen richten natuurlijk de concepten van karma en reïncarnatie. Echter, deze dingen wil k voorlopig even het peloton laten passeren om de simpele reden dat ik nog maar weinig Boeddhisten heb horen spreken over deze concepten en er dus te weinig van afweet.   

Mijn interesse gaat nu uit naar vier essentiële claims: de vier edele waarheden van de Boeddha. Boeddha vatte zijn leer samen in vier hypotheses:

 

1. Dit, monniken, is de Edele Waarheid van het Lijden: geboorte is lijden, ouderdom is lijden, ziekte is lijden, de dood is lijden, verdriet en weeklagen, pijn, smart en wanhoop zijn lijden; omgaan met hetgeen waarvan je een afschuw hebt is lijden, gescheiden worden van het geliefde is lijden, niet krijgen wat men wil hebben is lijden – kortom, de vijf groepen (die object zijn) van hechten, zijn lijden.’ —Boeddha

 

Eerder ben ik al ingegaan op de relevantie van deze waarneming. Ik durf zelfs te zeggen dat als dit níet zo was, we in de eerste plaats geen noodzaak hadden tot het bedrijven van wetenschap.

 

2. ‘Dit monniken, is de Edele Waarheid van de Oorzaak van Lijden: verlangen en hartstocht. Dit verlangen dat wedergeboorte veroorzaakt en gepaard gaat met genietingen en wellust, en bevrediging zoekt in dingen, dan weer hier, dan weer daar, namelijk: verlangen naar zintuiglijke geneugten, verlangen naar bestaan, en verlangen naar niet-bestaan.’ —Boeddha

 

Ik denk dat de meeste psychologen, sociologen en biologen het hier grotendeels wel mee eens zullen zijn; zonder het verlangen naar overleven, het bestaan zogezegd, was er immers geen evolutie. Omdat we verlangen naar bestaan, verlangen we ook naar lekker gezond eten, mooie meisjes met wie we ons kunnen voortplanten, we verlangen naar vrijheid, veiligheid, bevestiging… Maar we verlangen ook naar niet-bestaan: ‘was ik maar niet zo onhandig’, ‘was ik maar niet zo’n slappe lul.’ Het enige waar ik moeite mee heb in deze uitspraak is het stukje: en dat wedergeboorte veroorzaakt.

 

3. ‘Dit, monniken, is de Edele Waarheid van de Opheffing van Lijden: Het is het gaandeweg verdwijnen en uiteindelijk ophouden van voornoemd verlangen. Het opgeven, het laten varen, het loslaten en de verwerping van dat verlangen zonder dat er een spoor van overblijft.’

—Boeddha

 

Meditatie is het consequent loslaten van alle ideeën en verlangens. Wetenschappers -vooral neurologen en psychologen- zijn als idioten aan het onderzoeken of meditatie werkelijk bevorderlijk is voor het geluk van mensen. De voorlopige resultaten zijn opvallend: Boeddhistische monniken konden bepaalde psychologische oefeningen waarvan psychologen overtuigt waren dat mensen ze onmogelijk konden vervullen met hun brein. In andere situaties bleek de meditatie tot gevolg te hebben gehad dat Boeddhisten eigenhandig de structuur in hun rechterhersenhelft hadden veranderd.

Verschillende monniken zijn heel erg zorgvuldig onder de MRI-scan gelegd met de opdracht om te mediteren. Het resultaat was dat de wetenschappers dachten dat hun machine stuk was. Bepaalde delen in de hersenen waren 800% actiever geworden!

Ook in Nederland wordt trouwens onderzoek gedaan naar meditatie. Onder andere is Spinozaprijswinnaar (de Nederlandse Nobelprijs) Henk Barendregt hiermee bezig samen met twee andere hoogleraren. Binnenkort worden de eerste resultaten gepubliceerd… 

 

‘Dit, monniken, is de Edele Waarheid van de Weg die leidt naar de Opheffing van Lijden: Het is simpelweg het Edele Het Achtvoudige Pad, namelijk: juist inzicht, juiste intentie, juiste spraak, juist handelen, juiste wijze van levensonderhoud, juiste inzet, juist aandachtig zijn, juiste concentratie.’

—Boeddha

 

Het lijkt alsof hier acht claims worden gedaan, maar de werkelijke claim is natuurlijk dat we compleet vrij kunnen zijn van het lijden. Er wordt niet zozeer gezegd wát de juiste intentie moet zijn of wát juist handelen is. Er wordt alleen gezegd dat de sleutel voor verlichting van het lijden bij deze activiteiten gezocht moeten worden. Voor zover ik weet is hier zog geen onderzoek naar gedaan en ik kan er weinig over zeggen. Ik kan wel beredeneren dat als er lijden is er ook een staat kan zijn waarin géén lijden is. Zodoende.

 

Akelige Esoterie

Er zijn ook een paar claims die niet zozeer door het Boeddhisme worden gemaakt, maar die wel vaak in verband worden gebracht met het Boeddhisme. Één van die claims is bijvoorbeeld dat wij mensen de structuur van objecten in ons buitenmilieu door pure geestkracht kunnen beïnvloeden (zoals in het global-consciousness project, of het waterkristallen experiment van Masaru Emoto). Dit valt wetenschappelijk zeer te bekritiseren. Als mensen in staat waren met hun intenties de structuur van vezels, kristallen of andere objecten te veranderen dan zou dat natuurlijk heel erg interessant zijn. Helaas zijn de experimenten die dit pretenderen aan te tonen vaak niet dubbelblind en meestal ook niet statistisch significant.

Er loopt een man in de VS die een miljoen dollar uitreikt aan degen die hem in een dubbelblinde, significante, kortom exact wetenschappelijke test kan aantonen dat ze de structuur van objecten kunnen veranderen met enkel hun geest. Tot nu toe staat het geld nog op de rekening van zijn fonds en ik verwacht dat dit nog wel een tijdje zo blijft. Deze man heet James Randi en hij heeft zijn leven gewijd aan het ontkrachten van paranormale claims. Hij is hier erg succesvol in. Zijn methodes zijn logisch, eerlijk, goed doordacht en de mensen die hij test aanvaarden altijd zijn testomstandigheden.

Ik geloof niet in leven na de dood. Ik geloof niet in reiki, astrale reizen, 2012, sjamanisme, wicca, pendelen of wat dan ook.  

Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat de meeste hoofdzaken in het Boeddhisme lijken te kloppen. Als iemand mij kan bewijzen dat de zaken anders liggen, dan hoor ik het graag!

 

 

De Vis

Blijdorp_044 God zei op een dag tegen Jona: ‘Ik wil dat je de mensen in Ninevé gaat vertellen dat ze nog niet verloren zijn.’

En Jona zei: ‘God, beste knul, dat ga ik voor je doen.’

Maar eigenlijk had Jona helemaal geen zin om de mensen in Ninevé te vertellen dat ze nog niet verloren waren. Veel te veel moeite. Bovendien vond Jona ook niet echt dat de mensen in Ninevé van de ondergang te redden waren. Voor God was dit natuurlijk, zo dacht Jona, een prima manier om zichzelf te legitimeren. Zo van: mensen, don’t blame it to me, ik heb jullie nog een laatste kans gegeven.

Nee, dacht Jona. Dit kan toch mijn pad niet zijn. Die achterlijke Nineveërs zouden hem onhartelijk uitlachen alvorens hem in stukjes te snijden.

Dus hij vertok. Niet richting Ninevé maar in de tegenovergestelde richting. Hij kwam bij een haven en vroeg aan de schippers die hij tegenkwam welke kant zij opgingen. ‘Richting Tharsish,’antwoordden zij. Precies de goede richting, dacht Jona bij zichzelf. Hij liet zich inschepen.

Het schip kwam terecht in een vreselijke storm en dreigde om te slaan en in de golven te verdwijnen. Radeloos gingen de schippers op zoek naar een manier om het schip te redden. Toen ze ontdekten dat Jona tegen de wil van zijn God handelde gooiden ze hem overboord. Probleem opgelost. Voor hen tenminste… Jona zelf was nog lang niet uit de problemen en ploeterde uit man en macht om maar niet te verdrinken. Gelukkig was God genadig en stuurde een grote vis. De vis slokte Jona op.

Zo bevond Jona zich toen in een vis. Daar zat hij opgesloten in het donker, maar hij leefde. En in het donker van de vis kwam Jona tot inkeer. Hij realiseerde zich dat ieder mens het potentieel tot verlichting, de Boeddhanatuur, in zich heeft. Om die reden alleen al zouden we elkaar een tweede kans moeten gunnen.

Nou, dacht God bij zichzelf, het is wel niet precies wat ik hoopte, maar in ieder geval heeft Jona íets geleerd. Toen beval hij de vis om Jona weer uit te spuwen, dicht bij het strand.

En Jona ging weer op pad. Dit keer oprecht overtuigd van zijn missie. En hij ging naar Ninevé en zei tegen de mensen: ‘Jullie zijn nog niet verloren. Kom toch tot inkeer en accepteer God als jullie god.’ De mensen in Ninevé lachten hem niet uit, maar overlegden samen en ze kwamen tot inkeer en bekeerden zich tot God.

Jona, die had gezien dat de Nineveërs een nogal barbaars volkje waren, dacht: shit! Nu geeft God deze idioten zomaar toegang tot míjn Sangha. Nu moet ik met die onaangepaste lieden gaan samenleven. En God zei tegen Jona: ‘Idioot die je bent. Je moet mensen niet uitsluiten op grond van de context waar in ze leven maar je moet ze helpen om hun omstandigheden zo te veranderen dat ook zij beschaafde Gelovigen worden.’ ‘Beste God,’ antwoordde Jona, ‘Nu zie ik in waarom u zo wijs bent en ik niet. Ik dacht dat ik er al was. Vergeef mij maar ik denk dat ik nog niet klaar ben om de Nineveërs te helpen. Nu ga ik eerst proberen om afstand te doen van de gedachten die mij ongelukkig maken. En God zei: ‘Goed.’

Jona vertrok met een schip. Niet naar Tharsish en ook niet naar Genua. Hij ging nergens heen. Hij ging slechts ergens vandaan.

Achter je rug flikken ze het toch...

Bram_met_mjn_harem Marcus had, voor zover ik weet, tijdens de hele bovenbouw van de middelbare school nooit wat ‘uitgespookt’. Met uitgespookt bedoel ik van die gewaagde dingen als relaties aangaan en/of zoenen (of erger) met meisjes. Sterker nog, als je het mij vier jaar terug had gevraagd, dan had ik gezworen dat Marcus ‘aseksueel’ was. Hij gaf zelden blijk van enige behoefte tot een warm, zacht, lief meisje in zijn armen. Hij gaf eerder blijk van behoefte aan andere dingen: het studiehuis opblazen, een oorlog te beginnen tegen de Friezen en de docente Nederlands te intimideren met een golfbal.

Rebus had overduidelijk we de behoefte aan een warm, zacht lief meisje. Hij had, zoals zoveel gevoelige jongemannen, liefde in overvloed om te geven. Zijn probleem was echter dat het meisje achter wie hij aanzat geen behoefte had aan een gevoelige, intellectuele en verantwoordelijke man. Tegenwoordig zie je haar rondlopen met, wat ik noem, een testosteronaap (een woord dat opvallend genoeg wordt goed gerekend door de spellingscontrole, in tegenstelling tot het woord ‘Narg’ dat ik ook nog steeds graag gebruik om mijn ongenoegen te uiten). Niet groot, wel gespierd, overduidelijk behoeftig en ietwat onbehouwen. Hij is het tegenovergestelde van Rebus, al is hij wellicht even neurotisch.

Noem mij een koppelaar maar ik had eigenlijk een veel geschikter meisje op het oog voor mijnheer de GVR*. Zij was eveneens lief, zacht en warm maar veel minder mysterieus. Het mooiste was nog dat ze, laten we haar Snuitkevertje noemen, als een blok viel voor Rebus. Wat wil een mens nog meer… Rebus bleef echter nog een flinke poos achter zijn ingebeelde ware lopen.

Kneitr is, zoals hij zelf ook zegt, een jonge god: knap, gespierd en sociaal. Het soort jongen waarvan zelfs de knapste meisjes hopen dat hij op hen afstapt. Hij had alleen een structureel probleem: het lukt hem niet om een meisje te krijgen. Af en toe zag je dat hij vordering maakte, maar op het laatste moment maakte hij dan waarschijnlijk een cruciale fout en liepen de meisjes weg. Het mooie was dat hij daaronder wel ‘cool’ bleef. Vroeg je hem: ‘Hé, hoe is het afgelopen met díe en díe?’ dan antwoordde hij nuchter: ‘Niet zo goed. Blauwtje gelopen. Behoorlijk blauwtje zelfs.’

Wat het aardige is, is dat alle drie de jongens nu ‘onder de panne’ zijn. Marcus heeft nu een grappig Zeeuws meisje weten te versieren op zijn studentenvereniging. Iets dat hij doodleuk melde nadat ik een spijker in mijn neus had getimmerd (een truc die ik niet meer mag doen van Corine).

Rebus heeft Snuitkevertje op een onzichtbare wijze te grazen genomen (gezoend) terwijl ik lam achter de elektrische piano met een glas wijn in de ene en Corine in de andere hand. De bastard belde mij later op de avond nog op om dit op te biechten. Hij was dus toch voor haar gevallen en, ja, ze hadden nu een relatie.

Tot slot is ook Kneitr er in geslaagd om een meisje te vinden. Niet zomaar een meisje; het knapste meisje van Unitas (algemene consensus). Het gaat ‘best wel chill’ tussen hen twee, als ik de jonge god moet geloven.

 

 

 

*Rebus is namelijk een Grote Vriendelijke Reus

 

Multi-Angle-View

007_5 Ik ben niet bepaald een natuurmens. Het liefst zit ik binnen, op de bank, met een boek in mijn handen (of een kop thee, of een vriendin, etc.). Ik houd meer van verhalen; verhalen over gemene spelletjes, uitzichtloze situaties, wonderlijke ontdekkingen… Ik lust er wel pap van. De natuur is toch meer iets van buiten. Daar ga ik liever niet heen, want meestal is het er koud en nat en buitengewoon oncomfortabel. Zeker in de herfst. Geef mij maar een kachel, een extra kussen in de rug, een pak met koekjes, een voetenbad en geschreven drama.

Bovendien is de natuur, naast oncomfortabel ook een buitengewoon geweldadige plek vol met enge beesten die het tot hun plicht zien andere beesten op brute wijze te vermoorden. Toch studeer ik op het moment naast Internationale Ontwikkelingsstudies (een sociaalwetenschappelijke opleiding) nu vakken van de opleiding Bos en Natuurbeheer. In één van mijn meest recente colleges zat ik plotseling schedels van carnivoren en herbivoren te analyseren. In het college daarvoor gaf ik commentaar op de ontwikkeling van vogelpopulaties in Peru. Ik voel mij als een uitheemse soort die opeens in een heel nieuw ecosysteem terecht is gekomen: dat van de natuurwetenschappers. Het is een milieu waarin ik mij wel thuis voel, al vraag ik mij af hoe ik er terecht ben gekomen.

Als je er over nadenkt, is dat geen lastige vraag: de helft van mijn vriendenclub (inclusief mijn vriendin) studeert Biologie. Ik weet nog goed hoe ik mij half zat te ergeren toen Rebus en Corine het spelletje SPORE (waarin je een nieuwe diersoort ontwikkelt tot in het stadium van interplanetaire kolonisatie) van uitgebreide kritiek voorzagen toen ik het aan hen toonde. Ik begreep maar de helft van wat ze zeiden. Het is alsof twee mensen in een andere taal aan het kletsen zijn over iets dat jou aangaat. Aan de andere kant wordt ik weer raar aangekeken als ik probeer iets over marktwerking te zeggen (‘nee bah, dat gaat toch niet over economie?’).

In de Ontwikkelingsstudies wordt de natuur vooral gezien als hulpbron. Iets waarvan je, als je er handig gebruik van maakt, eindeloos kunt profiteren. De nuance die natuurbeheerders hieraan toevoegen is dat de natuur een systeem is waarin álle soorten eindeloos van elkaar profiteren. De mens (die gewoon deel uitmaakt van de natuur) is hierin alleen zo ontzettend doorgeslagen dat andere soorten door zijn verbruik dreigen uit te sterven. Dit probleem moet van meerdere kanten worden bestudeerd vanuit zowel de natuurwetenschap als de sociale wetenschap. Hieruit kunnen slimme oplossingen komen.

 Het lot van de soorten (inclusief de mens) gaat mij zeer om het hart. Zeker nu er sprake lijkt te zijn van een soort ‘verharding’ in de samenleving. Natuurbescherming wordt een ‘linkse hobby’ genoemd door voorstanders van het ego. Dat is een domme definitie. Natuurbehoud is een vorm van zelfbehoud, wij zijn onderdeel van de natuur en we kunnen niet ontkomen aan de effecten die opdoemen als we andere soorten verbruiken.

 Daarom word ik een beetje moe van al die mensen die het geen ruk kan schelen, die zich het ene na het andere privilege aanmeten zonder een greintje verantwoordelijkheidsgevoel. Ook krijg ik het benauwd van al die pessimisten die zich blindstaren op de ellende en de complexiteit van de problematiek. ‘We kunnen niets doen, de natuur is allang geruïneerd.’ Zo klinken de dooddoeners die door deze mensen worden gehanteerd. Dit is een goedkope, luie houding die mensen zich door emotie en onwetendheid eigen maken. Normaal ben ik niet zo extreem in mijn taalgebruik, maar nogmaals, deze zaak gaat mij zeer om het hart.

 Het stelt mij erg droevig dat mensen in een waanzin van onterecht zelfmedelijden en plat sarcasme weigeren hun ogen te openen voor wat er op het spel staat. Zien mensen dan niet dat wat er in de rest van de natuur gebeurt een veel rijker en wonderbaarlijker scala biedt voor diegenen die een gebrek hebben aan emotionele bevrediging? De natuur staat bol van de avonturen, conflicten en drama’s en als we het afbreken hebben we alleen nog maar ons zelf: ‘de meest intelligente soort op aarde’.

 Ik kan met een gerust hart zeggen dat dit verhaal: het verhaal van de mens, de soort die de beschikking kreeg over de magie van de inleving, de creativiteit, de handvaardigheid en de taal. Het verhaal over hoe deze mens onmiddellijk de dominante soort werd, de leeuw verstootte van de troon en zelf met de scepter ging zwaaien. Het verhaal over hoe de mens opeens op de rand stond en moest kiezen: ten ondergaan aan het eind van zijn dictatuur, of andere soorten een democratisch recht in handen te geven. Dit verhaal vind ik het meest interessant van alle verhalen. Dit is een verhaal waar we midden instaan en dat ik van een multi-angle-view wil volgen. Ik wil de taal leren waarin het beschreven wordt. Ik wil weten hoe het eindigt.

 Er is maar één ding dat we kunnen doen: verder lezen.

Inbrekers op Asserpark

Fly1 Rond één uur ’s nachts melde Steil dat hij nóg drie bakjes met pesto, guagamole en auberginepaté in de koelkast had staan. De eerste drie waren nog halfvol. Steil had zich een beetje verkeken op de hoeveelheid gasten die zouden komen. Hij had een stuk of tien mensen uitgenodigd voor zijn examenweek-uitrust-avond dat in feite een verhuld verjaardagsfeestje was (‘volledig secundair’ had Steil in de mail gezet). De opkomst viel helaas een beetje tegen. Fuz, die de uitnodiging op dezelfde dag nog had opengemaakt, was in ieder geval gekomen en zijn cadeau bestond uit twee flesjes Kriek-bier (uit België) met de montere toelichting dat niemand op zijn afdeling van Kriek-bier hield. ‘En toen dacht ik: hé, Steil lust wel Kriek-bier. Laat ik het hem dan voor zijn verjaardag geven.’ Fuz na even een pauze om zijn woorden te overdenken. ‘Maar… ik ga ook nog wel een écht cadeau voor je kopen.’ Hij overhandigde de twee flesjes.

Twee gasten was wel heel erg weinig, dus belde Steil Rebus op (die negen verdiepingen hoger woont). ‘Hé Rebus. Ben je thuis? Ja? Wil je dan stoppen met zoveel lawaai te maken? Nee geintje. Vind je het leuk om even langs te komen?’

Na wat morrelen, en nadat Steil Rebus ervan had overtuigd dat er een zeer uitgebreid kaasplankje was en dat ik en Fuz er ook waren, legde Rebus zijn leerwerk neer en kwam naar beneden.

Uiteindelijk werd het toch een uitstekende avond: de aanwezigheid van vier jonge, intellectuele, Wageningse heren, voedsel en wodka-gingerale leidde tot een geweldige variëteit aan discussie. Een greep uit de revue: McCain, snuitkevers, het Milgram-experiment, Ikea, Franse boeren en de kracht van de evolutietheorie kwamen stuk voor stuk langs. Het ene onderwerp vloeide subtiel uit het andere. Argumenten werden ondersteund met YouTube (‘maar één Nederlands filmpje over snuitkevers’ klaagde Rebus) en Wikipedia.

Om half twee vond ik het mooi geweest en ik stond op. Rebus en Fuz volgden onmiddellijk. We brachten de troep naar de keuken en zeiden Steil gedag. Op weg naar huis bespraken Fuz en ik het moeilijkste onderwerp van de avond: de liefde. Persoonlijk denk ik dat de liefde zo lastig is omdat het woord een samenvatting is van verschillende dingen die je tegelijkertijd voelt. Ik had hier nog wel uitgebreider over willen praten waar toen we bij de lift van de Haarweg kwamen besloten we beiden gewoon te gaan slapen.

Op mijn kamer aangekomen liet ik dat plan even voor wat het was en ik ging achter de computer zitten om te kijken hoe het downloaden van verschillende natuurfilms vorderde.

Op dat moment kreeg ik een sms met een onheilspellende boodschap van Rebus. Ik belde hem meteen op om te polsen wat er precies aan de hand was. Rebus (die overigens biologie studeert) werd op zijn kamer geterroriseerd door een bepaald roodkleurig insect waarvan hij niet kon slapen. ‘Trap hem plat!’ adviseerde ik. ‘Of vang hem, humaan, met een kopje en een stukje karton, zoals ikzelf altijd doe.’ Rebus vertelde dat hij aal had geprobeerd het insect te vermorzelen maar bij die poging was het diertje halfdood onder zijn bed beland. Hij kreeg het ‘Spaans benauwd’ bij het idee om verdere actie te ondernemen. ‘Zal ik langskomen om hem te vangen?’ vroeg ik nobel. ‘Ja, als je dat geen probleem vindt, ik houdt het hier niet uit.’ 

Dus ik reed terug naar de flat van Rebus (aan de andere kant van Wageningen). Ik, de heldhaftige ghost-buster zou wel eens afrekenen met die teisterende, enorme, rode insecten. 

Met een zaklampje scheen ik onder het bed van Rebus. Rustig bestudeerde ik de vloer en enigszins teleurgesteld moest ik concluderen dat er geen grote rode insecten waren: slechts een paar zilvervisjes en een gewone bromvlieg. Ik ving de vlieg en liet het beestje vrij door het raam in de keuken. Het gevaar was geweken.

‘Wil je dan maar een kopje thee?’ vroeg Rebus, nog steeds een tikje onthutst.

‘Ja, doe maar.’

Samen dronken we een kopje rooibos thee en we spraken over angsten en het verschil tussen meten en ervaren. Een paar minuten over drie hoorden we een enorm rommelend geluid. Ik, die net kundig een filmcitaat aan het opzeggen was, stokte en keek naar het gordijn. We waren doodstil. ‘Wat was dat?’ vroeg ik. Rebus wist het ook niet; ‘Het lijkt wel of er een verwarming naar beneden is gekomen. Ik deed het gordijn open en keek naar buiten, naar de balustrade. Niets.

‘Vreemd’ zei ik. Ik dronk het laatste beetje thee op. Toen hoorde we stemmen op de gang. ‘Laten we gaan kijken wat er aan de hand is.’

Wat er aan de hand was: in de kamer naast ons was ingebroken. Precies op het moment dat ik mijn favoriete stukje uit ‘Jurassic Park 3’ aan het uiteenzetten was, was een dief door het raam van de kamer naast ons naar innen geglipt en had, bijzonder snel, de laptop van het meisje dat in de kamer woonde gepikt.

Snel liepen we over de balustrade om te zien of de dief nog in de buurt was, maar er was niemand te zien. Hij had wel sporen achter gelaten: een natte voetafdruk bij de noodtrap en voor het raam van de kamer lag een eenzame computermuis op de grond. In de kamer zelf was het een puinhoop. De printer was van het bureau afgestort en overal lag papier.

Het ergst om te zien was het slachtoffer; Rebus’ buurmeisje. In nachtkleding, wallen onder haar ogen en de blik van iemand die nog niet helemaal beseft wat er was gebeurt.

We maakten wat foto’s van de puinhoop en spraken even over wat er nu moest gebeuren: politie, aangifte, verzekering.

‘Nu kan ik niet meer slapen.’ zei het meisje beteuterd.

‘Je mag wel bij mij op de kamer komen liggen,’ bood Rebus aan.

‘Nee, dat hoeft niet, ik ga wel wat lezen.’

‘Dat lijkt mij verstandig,’ zei ik met een stem die iets lager klonk dan mijn gebruikelijke stem. ‘Dat zou ik ook doen. Wel, dit lijkt mij wel weer genoeg voor één avond.’ Ik gaf Rebus een knuffel en ging naar huis.

De nacht was heel anders geworden. Op weg naar huis zag ik gezichten van de mensen die ik tegenkwam: twee jongens die vlak voor de flat aan het roken waren keken me indringend aan. Misschien waren jullie het wel, dacht ik. Later de gezichten van twee giechelende meisjes die ik tegenkwam op het fietspad. Bij verzorgingstehuis stond een ploegje mensen in uniform. Agenten? Ik zag het gezicht van een blonde vrouw in de dertig. Ze keek met een blik van: ‘Wat doe jij hier nog?’ Ik kwam een politiebusje en een beveiligingsbusje tegen.

Voor de deur van de lift vloog een vlieg. Een gewone bromvlieg.      

Nijntje raakt verlicht

Er was eens lang geleden Nijntje_schilderij

in een land hier ver vandaan

een schattig klein konijntje

dat nog maar net kon staan

het konijntje was de dochter

van de koning van een land

en daarom dat ze sliep

in dit gouden ledikant

Haar papa en haar mama

deden net alsof

er geen pijn was in de wereld

want alles was er tof

Nijntje kon dagen spelen

met haar gouden knikkerbaan

en hoefde zich nooit te vervelen

en het paleis uit te gaan

Maar op een dag was nijn volwassen

en wilden nu toch werkelijk zien

wat er buiten te beleven viel.

Weet jij dat soms misschien?

Maar wat ze buiten toch eens zag

dat vond ze toch beslist niet fijn

ze zag andere dieren

in een wereld vol met pijn.

Hoe kan het nou toch komen

Dacht die kleine lieve nijn

dat er zo erg veel dieren

zo ongelukkig zijn

Ze besloot haar leven lang te zoeken

naar het antwoord op die vraag

want een leven zonder lijden

dat wil iedereen toch graag?

Ze begon met een beproeving

en die beproeving was heel zwaar

ze ging haast niets meer eten

en voelde zich heel naar

Ook probeerde ze om niet te slapen

en dagen op haar hoofd te staan

er waren er wel meer die dat deden

maar niemand had er echt iets aan

Uiteindelijk ging ons lieve nijntje

bijna van de honger dood

ze besloot dat deze manier van leven

op haar vraag geen antwoord bood

Toen is ze nog uiteindelijk

gaan zitten onder een boom

ze deed haar oogjes dicht

en vouwde haar handjes vroom

Voor dagen ging ze mediteren

ze bewoog zich niet in tijden

en liet zich zelfs niet door de duvel

van haar doel afleiden

Uiteindelijk begreep ze

wat ze aan alle pijn moest doen

en besloot het middel uit te delen

noch voor seks, noch voor poen

Ze zei tegen de konijnen

jullie kunnen allemaal

de verlichting snel bereiken

scheer nu jullie hoofden kaal

En dat deden de konijnen

en al was het geen gezicht

ze konden zich goed concentreren

En raakten snel verlicht

Nijn schreef alles wat ze wist

op een papieren reep

in een soort geheimtaal

dat niemand meer begreep

Nijn ging toen naar Holland

en trof daar een leuke knul

die van thee hield en van wierook

en al die andere flauwekul

Gaten vullen

Plakband Ik, de grote mentalist (of mind-hacker, want dat is nog cooler) Janse Heijn, zit achter een oude laptop op het bed van mijn ouders. Blootsvoets maar wel met een hoedje op: een zwart hoedje met de afbeelding van een dood jongetje met een oranje capuchon. Ik ben net met mijn voeten uit het hemelse tril-bubbel-voetenbad gekomen. Tegen mijn zin, maar ik had bloedsinaasappelsap in het bad gemorst en anders gaat zo’n ding stuk.

Zoals altijd mijmer ik. De laatste tijd beleef ik het klassieke identiteitscrisisje van de adolescentie dus mijmer ik extra veel. Het onderwerp van mijn huidige gedachtespinsels is de grote socioloog Giddens. Aanleiding: een oud nummer van ‘Opzij’, het feministische vrouwenblad. Het hoofdonderwerp van deze editie is vrijheid. Het losmaken van alle beperkingen. Op iedere pagina worden vrouwen voorgesteld die zich ergens los van hebben gemaakt: los van de religie van hun ouders, los van een bepaalde angst, los van een duffe relatie, los van één partner, los van stereotypen enz.

De grote vraag (die dus ook door Anthony Giddens wordt gesteld) is: wat ga je doen als vrij bent? Een voorbeeld dat Giddens geeft is dat vrouwen nu kunnen kiezen voor een flitsende carrière in de zakenwereld in plaats van een (stoffige) carrière als huismoeder. Dat betekent niet dat iedere vrouw kiest voor een carrière, sommigen willen liever huismoeder zijn.

Juist: je hebt geld, geen beperking behalve de wetten van je land, de wetten van de natuur en de wetten van de vriendschap. Wat ga je dan doen? ‘Opzij’ komt met suggesties: ga mediteren, een eigen bedrijf beginnen, ga andere heilige huisjes omschoppen, ga eens net doen alsof je een vent bent…

Het is inspirerend om over al je mogelijkheden na te denken. Ik heb afgelopen maanden ontdekt wat ik allemaal zou kunnen doen. Heel veel nieuwe spannende dingen: over glasscherven lopen, je dag- en nachtritme omdraaien, diepzeeduiken, een impresario starten, mijzelf een jaar lang opsluiten in een hutje in de bergen, nóg een vriendin nemen! Niets houdt mij tegen om dit alles te ervaren (alhoewel).

Marcus’ favoriete argument om iets te doen is: ‘Gewoon omdat het kán!’ maar als ik er over nadenk, dan vind ik dat een slecht argument. Juist omdat er zoveel kan, moet je goed oppassen met waar je uiteindelijk voor kiest. Uiteindelijk zijn we allemaal toch heel erg kwetsbaar en er is maar één heftige, slechte ervaring nodig om iemand in zijn ongelukkige schulp te laten kruipen. Nee, je kunt maar beter goed nadenken over wat je wilt ervaren en waarom je dat wilt ervaren, van tevoren onderzoek doen is erg verstandig.

De reden dat we sommige dingen doen is juist om van een bepaald gevoel af te komen: angst, ontevredenheid. Tot mijn eigen voldoening zijn een hele hoop dingen die eng lijken, helemaal niet eng. Zoals een slang bijvoorbeeld. Die is wel raar (omdat hij geen poten heeft) maar niet meer zo eng als je hem hebt vastgehouden. Als je dan eenmaal van zo’n angstgevoel af bent geeft dat inderdaad veel rust.

Maar moet je dan alles wat akelig is gaan bestrijden? Ben je dan gelukkig? Geeft het niet meer rust om gewoon te accepteren dat je uiteindelijk weer wordt beperkt door dingen? Je zou een leven kunnen besteden aan het dichtscheppen van alle gaten, zonder dat je ooit toekomt aan de vraag wat je gaat doen als alle gaten zijn gedicht? Nieuwe gaten zoeken? Is dat een leuk leven?

Liever zit ik in een voetbad en drink ik bloedsinaasappelsap en concentreer ik mij eventjes op de dingen waar die ik heb leren te waarderen nadat ik heb ontdekt dat het kón. En zo mijmer ik weer verder.   

Vliegen met Peer

Foto1164 'Ja, het is niet zo gek dat je misselijk bent; dit vliegtuigje accelereert sneller dan een formule-1 wagen.'

'Pfff, ah, vandaarrrr...'

KLANG!!!

'Oeps, volgens mij is de kabel gebroken.'

'Oei...'

'Nee, dat geeft niets. Dat vervangen ze beneden wel.'

...

'Zo nu vliegen we rustiger. Zullen we een termiekbel zoeken?'

'Eh... Ja, prima.'

'Ik denk niet dat we een termiekbel kunnen vinden met dit weer.'

...

'Hee, een termiekbel. Kijk, dat is nou leuk, kunnen we wat langer vliegen. Mooi. Kijk, links, daarbeneden ligt Arnhem en rechts -oh nee, nu voor ons- ligt Apeldoorn. Leuk he? Wat voro opleiding volg je?'

'...'

'Gaat het goed?'

'Nou, nee, ik ben erg misselijk.'

'Oh, nou dan zal ik een tijdje rechtuit vliegen. Dat zijn die zijwaartse G-krachten. Krijg je als je in een spriraal omhoog vliegt.'

'Hmhmmm...'

...

'Zo wel gaan landen. Hou je vast!'

zzzzzzzwoesjs, boeff, ieieieiep!

...

'Zo. Vond je het wel een beetje leuk?'

'Jawel maar mijn maag en mijn longen hebben volgens mij van plaats verwisseld.'

'Hehehe... Ja dat kan de eerste keer gebeuren.'

'Nee, maar... Toch bedankt! Het was heftig.'

terug van (ver) weg geweest

Foto0722_2 Na een writersblock van enkele maande is Janse weer terug. Dit keer met een reportage over zijn meest recente vakantiebestemming.

‘Zo, ga je nog op vakantie?’
‘Nee, ik ben net geweest.’
‘Waarheen? Naar Spanje? Is het water niet te warm?’
Ik probeer het spervuur van vragen van mijn nieuwe Surinaamse kapper even vlot te beantwoorden. ‘Nee niet naar Spanje, naar Marokko en water is niet te…’
‘Was het leuk?’
‘Eh, ja. Hele aardige mensen. Je verveelt je er geen moment. Bovendien…’
Mijn antwoord wordt opnieuw afgekapt met een nieuwe vraag: ‘Waar ben je in Marokko geweest?’
‘Vooral in de steden. Marrakech, Fez, Rabat, Casablanca, we hebben ook in de Atlas gewandeld.’
‘Nou leuk hoor. Wil je iets drinken? Thee, koffie, limonade?’
‘Thee alsjeblieft.’
‘Goed hoor, ik ga het nu halen. Wacht ik spoel eerst je haar even uit.’
Even later kom ik stijfjes met mijn nek uit de spoelbak en wordt ik op een kappersstoel gezet. Of ik zo laag mogelijk wil gaan zitten.
‘Zo, hier is je thee. Ben je nog op vakantie geweest?’
‘Ja, ik ben dus naar Marokko geweest.’
‘Ach ja, stom, dat vertelde je net. Was je daar alleen?’
‘Met een groep studenten. We hebben wat organisaties bezocht.’
‘Oh en zijn het aardige mensen?
‘Ja absoluut. Als je daar rondloopt dan denk je: die Wilders die is gek.’
‘Oh, nou ja, ik wil het niet over politiek hebben hoor, maar…’ - Als mensen zeggen dat ze iets vooral niet willen doen, dan betekent dat vaak dat ze het toch gaan doen. Je hoort heel vaak mensen de zeggen: ‘ík wil niet zeuren hoor, maar…’ en dan gaan ze toch zeuren. ‘Ik wil niet opscheppen,…’ en vervolgens is alle bescheidenheid nog sneller verdampt dan whiskyaroma’s in een bourbon-glas.
‘… maar, kijk, ik zie het zo, Nederland is een fantastisch land en ik kom ook uit Den Haag en ik ben van oorsprong Surinamer maar…’ En zo beland ik in de langste knipbeurt ooit, begeleid met een vermoeiend betoog over het geweldige Christelijke Nederland en dat men zich vooral moet aan passen en aan de regels moet houden.
‘Kijk ik was soms vroeger ook geen lieverdje. Ik heb ook kattenkwaad uitgehaald…’
‘Homo die je bent,’ denk ik bij mijzelf.
‘Maar je past je gewoon aan weet je wel. Mensen weten het niet te waarderen, het leven hier.’
Uiteindelijk ben ik dan weer netjes geknipt en heb ik alles braaf aangehoord. Daarom mag ik net zolang gel in mijn haar smeren als ik wil.

***

Ik zit in de trein van Casablanca naar Marrakech. Het is zo’n oude, slecht geventileerde, Franse trein met van die zes-persoons-coupés en een smal gangpad. De trein zit propvol. Ik heb een tijdje met wat mensen en wat bagage in het gangpad moeten staan. Ik had mijzelf al neergelegd dat dit de komende vier uur zo zou zijn. Op gegeven moment wilde er een kerel langs: de dikste Marokkaan die ik tot noch toe had gezien. Hij droeg een lange bruine jurk en z’n grappig hoedje (een fez). Voor drie seconde werd ik door zijn enorme flubberbuik tegen de wand geperst. De man bleef glimlachen dus bleef ik ook glimlachen. Glimlachen kan een situatie redden.
Na een tijdje maakten mensen plaats in de coupé zodat ik kon gaan zitten en ik raakte in gesprek met een jonge Marokkaanse studenten die tegenover mij zat en drie vrij goed Engels sprak.
Het gesprek ging over de Islam, Marokkaanse gewoonten, de regering en cultuur.
De jongen sprak welgemanierd en gaf eerlijk antwoord op mijn vragen. Een moment zag ik hem even aarzelen en toen vroeg hij zachtjes: ’Is it true that there are naked wimen behind windows in the Netherlands?’
‘Yes, thats true. There are prostitutes in the Netherlands. They even have to pay taxes.’
De jongeman keek even geschokt en stamelde toen: ‘Too open minded… Too open minded...’


Laatste reacties

  • Skitty Had jij niet ooit gezegd dat
  • Skitty En tis veel duurder dan de g
  • Krul Ik vond zelf die pyramide al
  • Skitty Voor de desbetreffende perso
  • Krul Dus stel: ik maak een (al da
  • Janse Het eerste deel klopt (volge
  • Krul Dus de definitie is hier om
  • Skitty Aaah, een waar woord. Hier k
  • Janse Ik sluit mij aan bij de defi
  • Skitty Die definitie van kunst is w

februari 2010

ma di wo do vr za zo
1 2 3 4 5 6 7
8 9 10 11 12 13 14
15 16 17 18 19 20 21
22 23 24 25 26 27 28